Hennepnetelmeeldauw
| Hennepnetelmeeldauw | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Neoerysiphe galeopsidis (DC.) U. Braun (1999 [1]) | ||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Hennepnetelmeeldauw (Neoerysiphe galeopsidis) is een biotrofe parasiet uit de familie Erysiphaceae die voorkomt op planten uit het de families Acanthaceae, Bignoniaceae, Lamiaceae, Malvaceae.[2] De aandoening wordt veroorzaakt door een echte meeldauwschimmel uit het geslacht Erysiphe (orde Erysiphales).
Kenmerken
Uiterlijke kenmerken
De ziekte is herkenbaar aan een wit, poederachtig schimmelpluis op beide zijden van de bladeren en op de stengels. Bij sterke aantasting kunnen bladeren vergelen en vervroegd afsterven, wat leidt tot groeiremming van de plant. aan een dunne, witte grijzige schimmellaag, die later dichter en viltachtig wordt.
Microscopische kenmerken
De appressoria zijn matig gelobd. De conidioforen zijn 114–200 µm lang en 9–11 µm breed. De conidiogene cellen zijn recht, cilindrisch en 30–50 µm lang. De conidiën ontstaan in ketens van 2–6, zijn hyalien en variëren in vorm van ovaal tot cilindrisch of ellipsoïdaal. Ze meten 28–38 × 15–20 µm, met een lengte-breedteverhouding van 1,7–2,2, en bezitten geen zichtbare fibrosine-lichaampjes. De chasmotheciën zijn donkerbruin, bolvormig en hebben een diameter van 110–150 µm. Ze bevatten 6–10 breed ellipsoïde asci van 45–65 × 20–30 µm. De ascosporen worden pas in het voorjaar gevormd.
Levenscyclus
Neoerysiphe galeopsidis is een obligaat parasitaire schimmel die zich tijdens het groeiseizoen verspreidt via conidiën (ongeslachtelijke sporen). In de nazomer en herfst worden chasmothecia gevormd, waarmee de schimmel overwintert. De meeldauw ontwikkelt zich vooral bij warm weer en een relatief hoge luchtvochtigheid.
Ecologie
Hennepnetelmeeldauw treedt vooral op bij warm, droog weer met een hoge luchtvochtigheid in de nacht. De schimmel wordt vaak gevonden op stikstofrijke standplaatsen waar hennepnetels algemeen voorkomen. De soort heeft geen bekende economische betekenis, maar is ecologisch interessant als onderdeel van de gespecialiseerde schimmelflora op kruidachtige planten.
Verspreiding
Hennepnetelmeeldauw komt voor in Europa, waaronder Nederland en België, en wordt vooral waargenomen in voedselrijke, verstoorde milieus zoals akkerranden, bermen en tuinen. In Nederland komt de soort zeldzaam voor. Hij staat niet op de rode lijst en is niet bedreigd.[3]


.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)