Guemesia

Guemesia ochoai

Guemesia ochoai is een vleesetende theropode dinosauriër, behorende tot de Neoceratosauria, die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Argentinië.

Vondst en naamgeving

In de vallei van de Amblayo, in de provincie Salta, werd een stuk schedel gevonden van een theropode. Het werd van 2013 af bestudeerd, onder andere door middel van een CAT-scan.

In 2022 werd de typesoort Guemesia ochoai benoemd en beschreven door Fedrico Lisandro Agnolín, Mauricio Andrés Cerroni, Agustín Scanferla, Anjali Goswami, Ariana Paulina-Carabajal, Thomas Halliday, Andrew Cuff en Santiago Reuil. De geslachtsnaam verwijst naar General Güemes, welke plaats weer vernoemd is naar generaal Martín Miguel de Güemes, gouverneur en verdediger van het vondstgebied tijdens de Argentijnse onafhankelijkheidsoorlog. De Argentijnse senaat had 2021 aangewezen als tweehonderdjarig herdenkingsjaar voor de generaal. De soortaanduiding eert de preparateur Javier Ochoa, die het fossiel ontdekte en de illustraties in de publicatie verzorgde.

Het holotype, IBIGEO-P 103, is gevonden in een laag van de Los Blanquitos-formatie die dateert uit het Campanien. Het bestaat uit een vrijwel compleet schedeldak met hersenpan.

Beschrijving

Het holotype vertegenwoordigt een vrij klein individu. De hersenpan is zoals bewaard 158 millimeter lang, 94 millimeter breed over de oogkassen en 166 millimeter breed over de achterste uitsteeksels van de processus paroccipitales. Het is daarmee een van de kleinste abelisauriden die bekend zijn. Het betreft echter vermoedelijk een jong exemplaar, hoewel volgens de beschrijvers de volwassen omvang niet veel hoger zal hebben gelegen.

De beschrijvers stelden een reeks onderscheidende kenmerken vast. Twee ervan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. De voorhoofdsbeenderen worden geornamenteerd door een middelste rij van oppervlakkige en grote foramina. De bijdrage van ieder voorhoofdsbeen aan de oogkas wordt sterk gepneumatiseerd door een, vermoedelijk pneumatische en vasculaire, tunnel die de bovenrand van de oogkas verbindt met het schedeldak.

Daarnaast zijn er elf op zich niet unieke kenmerken die een unieke combinatie vormen. Het achterhoofdsgat is breder dan hoog. De processus basipterygoidei zijn langwerpig waarbij hun uiteinden schuin naar achteren en beneden gericht zijn en beneden het niveau van de tubera basilaria steken terwijl de afstand tussen de processus basipterygoidei en de tubera basilaria korter is dan de afstand overdwars tussen de tubera basilaria onderling (het betreft twee paar afhangende uitsteeksels van de schedelbasis waarmee de kop bewogen wordt). De tubera basilaria zijn delicaat gebouwd en niet verdikt, aan de uiteinden van elkaar gescheiden door een inkeping in hun verbindende beenweb. De processus paroccipitales, uitsteeksels waarmee de kop heen en weer bewogen wordt, hebben onder de achterste buitenste vleugels van de wandbeenderen een bolle bovenrand, een afgeronde uitstulping vormend. De robuuste en duidelijk afstaande crista otosphenoidalis is opvallend langgerekt in de lengterichting, lopend van de crista antotica tot de basis van de processus paroccipitalis. De negende tot en met twaalfde hersenzenuw openen in een duidelijk afgetekende recessus paracondylaris, inzinking naast de achterhoofdsknobbel. De fossa supratemporalis, de uitholling rond het bovenste slaapvenster, wordt in tweeën gedeeld door een lage richel ter hoogte van de oogkas. Er zijn uitgangen aanwezig voor de vena orbitocerebralis. De recessus tympanicus lateralis is in tweeën gedeeld. De recessus basisphenoideus is klein met een ronde omtrek, aan de binnenzijde de nek van de achterhoofdsknobbel niet rakend.

Guemesia toont verschillende basale kenmerken, symplesiomorfieën van de Abelisauridae. Het schedeldak is verticaal dun. Het schedeldak steekt niet uit in hoorns of bulten. De tubera parietales van de wandbeenderen zijn laag en smal, op hetzelfde niveau als de voorste middenkam.

Het voorhoofdsbeen wordt doorboord door een uniek patroon van foramina. Die verbinden holten in het schedeldak met de buitenwand. De middenkam loopt naar achteren uit in een hoge maar smalle verheffing. Die zet zich naar onderen voort in een zeer smal supraoccipitale.

Fylogenie

Guemesia is in de Abelisauridae geplaatst. Een analyse vond de soort in een polychotomie met de meeste Abelisauridae, onder de Carnotaurini in de stamboom. Guemesia is daarmee de eerste benoemde abselisauride uit het noordwesten van Argentinië.

De positie in de evolutionaire stamboom volgens het beschrijvende artikel wordt getoond door het volgende kladogram:

Abelisauridae 

Literatuur

  • Agnolín, Federico L.; Cerroni, Mauricio A.; Scanferla, Agustín; Goswami, Anjali; Paulina-Carabajal, Ariana; Halliday, Thomas; Cuff, Andrew R. & Reuil, Santiago. 2022. "First definitive abelisaurid theropod from the Late Cretaceous of Northwestern Argentina". Journal of Vertebrate Paleontology: e2002348