Graft (hellingknik)

Graft tussen Ulvend en Sint-Martens-Voeren

Een graft is een knik in een helling, een steile rand, vergelijkbaar met een trede, waardoor de helling min of meer geterrasseerd is. Graften zijn meestal begroeid met houtgewas: struiken en een enkele boom.

Graften komen voor op voorheen beboste hellingen die als akker of weiland in gebruik zijn. Ze zijn ontstaan in een periode dat het land onder akkerbouw lag door een combinatie van menselijke activiteit en natuurlijke processen.

Vóór de uitvinding van het prikkeldraad (rond 1880) plantten de boeren in het Zuid-Limburgse Heuvelland in Nederland, op veel plaatsen in Midden- en Hoog-België en in grote delen van Noordwest-Europa dichte hagen om hun weilanden om het vee binnen te houden. Doordat de grond die door erosie de helling af spoelde zich ophoopte tegen de hagen op de perceelsgrenzen, ontstonden de graften als trapsgewijze hoogteverschillen.[1].

De bomen en struiken in de hagen leverden als boerengeriefhout tevens werkhout voor allerlei doeleinden. Veel graften liggen niet op erfafscheidingen, maar markeren dan vaak wel voormalige perceelsgrenzen die door schaalvergroting in de bedrijfsvoering zijn vervallen.

Referenties