Gnawa (muziek)

Groep gnawamusici.
Traditionele Gnawa-kleding.
Gnawamusicus met zijn karkabou.
Gnawamusicus met een guembri.
Optreden op het 15e Gnaoua World Music Festival in Essaouira.

Gnawa is een Marokkaanse muziekstijl. Het is de traditionele muziek van de Gnawa (of Gnaoua) bevolking in Marokko.

In 2019 werd de traditionele Gnawa-praktijk door de UNESCO erkend als immaterieel cultureel erfgoed.[1][2]

Oorsprong

De Gnawa stammen af van volken uit sub-Sahara-Afrika. Deze volken (waaronder de Bambara, de Fulani en de Hausa) kwamen uit landen als (het tegenwoordige) Mali, Senegal en Nigeria. Zij werden vanaf circa de 12e eeuw als slaven vervoerd naar de Maghreb, met een piek rond de 15e, 16e eeuw. De Gnawa hebben nog steeds aanzienlijke gemeenschappen in Marrakesh en Essaouira, steden die in het verleden belangrijk waren voor de sub-Saharaanse slavenhandel.[3][4]

Deze gemeenschappen waren al geïslamiseerd voor ze als slaven naar het Noorden werden vervoerd. Het islamitische geloof van de Gnawa's is beïnvloed door het soefisme. De Gnawa wordt ook wel omschreven als soefi-orde, maar hier zijn de meningen over verdeeld. Daarnaast bevat de islam van de Gnawa elementen van pre-islamitische Afrikaanse religies zoals animisme.[3][4][5]

Traditionele gnawa

In de straten en marktpleinen van steden als Marrakech zijn gnawa-groepen te vinden die het publiek vermaken met muziek en dans. De muziek en kleding zijn niet overal hetzelfde, er kunnen verschillen zijn tussen stad en platteland. Met name in de stad zijn de gnawa-muzikanten vaak te herkennen aan kleurrijke gewaden en met kauri-schelpen bedekte mutsen.[1][2][4]

Een belangrijk deel van de gnawa vindt echter plaats achter gesloten deuren, tijdens ceremonies.

Lila-ceremonies

In de Gnawa-religie bestaat het geloof dat (oeroude) geesten zich kunnen vestigen in mensen. Men is dan bezeten door deze geest, die onheil zoals ziekte over hen kan afroepen. Gnawameesters (maalems of m'allemin) zijn in staat om met de geesten in contact te komen en zo de zieken te genezen. Wie last heeft van ziekten (zoals psychische aandoeningen, ademhalingsproblemen of artritis) kan dergelijke hulp aanvragen. Deze genezing vindt plaats tijdens zogenaamde Lila-ceremonies die de hele nacht kunnen duren. [1][5][6]

De ceremonie start met een gedeelte dat meer op vermaak gericht is. Tijdens dit gedeelte (de fraja) worden voorouders en belangrijke religieuze figuren geprezen met zang en dans. De ceremonie kan ook voorafgegaan worden door een processie die buiten plaatsvindt. Met deze optocht wordt de gemeenschap geïnformeerd over de start van de ceremonie.

De ceremonie gaat daarna verder met een aantal onderdelen, die elk gewijd zijn aan een geest of groep geesten. Tijdens elk onderdeel word(en) de betreffende geest(en) opgeroepen en gunstig gestemd met onder meer wierook, kleuren, offers, eten en drinken (bijvoorbeeld melk en dadels) , muziek en dans. Elk van deze onderdelen is anders, omdat voor elke geest (of groep geesten) andere liederen worden gebruikt, en andere soorten wierook, andere kleuren gewaden, andere offers enzovoorts. In de loop van de nacht raken deelnemers in trance, en beginnen ze onder invloed van deze trance te dansen op de muziek. De maalem heeft in deze fase contact met de geesten, met als doel de genezing van de deelnemers.[1][5][7]

Rolverdeling tijdens ceremonies

De belangrijkste functies tijdens de ceremonie worden vervuld door de gnawa-meester of maalem (ook wel m'allem, meervoud: m'allemin) en door de mqaddema.

De maalem is niet alleen een meester in muzikaal opzicht maar ook in religieus en spiritueel opzicht: ze kunnen 'werken met de geesten' en zo de bezetenen genezen. De maalem wordt vergezeld door de overige bandleden, de drari, leerlingen van de maalem. De maalems en musici waren oorspronkelijk altijd mannen, maar dit is geleidelijk aan het veranderen. Een andere belangrijke rol wordt vervuld door de mqaddema, meestal een vrouw, die de ceremonie en deelnemers overziet en begeleidt.[5][8][9]

Traditioneel leert men het vak van maalem of gnawa-musicus door in de leer te gaan bij een of meer maalems. Het kan vele jaren duren om dit vak onder de knie te krijgen. Een leerling kan daarna de titel maalem krijgen van andere maalems. Maalems komen overigens niet meer altijd uit de Gnawa bevolkingsgroep, maalems kunnen er ook voor kiezen anderen als leerling te accepteren. [5][10][3].

Muziekstijl

Gnawamuziek wordt omschreven als hypnotiserend en betoverend. Onderdeel hiervan is het telkens herhalen en gaandeweg versnellen van dezelfde ritmes. Gnawamuziek en -optredens bevatten islamitische, Afrikaanse en Berberse invloeden. Afrikaanse invloeden zijn zichtbaar in onder meer de kleding, de dans en de muziekinstrumenten, die overeenkomsten vertonen met muziekinstrumenten uit West-Afrika.[2][11][12][13][5]

Twee van de meest typerende instrumenten in de gnawa zijn de guembri (of sintir of hahjouj) (een soort driesnarige basluit) en karkabou (soort castagnetten). Ook wordt er in gnawa gebruikgemaakt van (tbal) trommels en handgeklap. De maalem bespeelt de guembri en zingt, de drari bespelen de karkabou en eventueel andere percussie en zingen en dansen.[1][14][8]

Thematiek

In diverse gnawa-liederen worden geesten en voorouders aangeroepen. Sommige van de aangeroepen geesten lijken sterk op geesten uit West-Afrika, of hebben namen uit West-Afrikaanse talen zoals de Bambara-taal. Ook zijn er liederen waarin Allah, de profeet Mohammed, beschermheilige Bilaal en andere islamitische profeten en heiligen worden aangeroepen.

Ook bevatten de liedteksten en dansen verwijzingen naar slavernij en verwante thema's als gedwongen verhuizing. Deborah Kapchan, onderzoeker en auteur van diverse boeken over Marokkaanse cultuur, stelt dat de rituele omgang met geesten deels gezien kan worden als manier om het verleden van slavernij te verwerken. Er is immers een duidelijke parallel tussen bezetenheid (waarbij een geest een persoon bezit en bewoont) door geesten en slavernij (waarbij men 'eigendom' is van iemand anders). De rituelen tijdens een Lila-ceremonie kunnen dan dienen als manier om het verleden te verwerken en meester te worden over de situatie.[1][3][4][13][5][11][15]

Moderne Gnawa

Majid Bekkas met zijn guembri.
Hassan Hakmoun met zijn guembri (2003).

In de tweede helft van de 20e eeuw ontstonden nieuwe vormen van Gnawa. Ook kreeg gnawa, eerder gemarginaliseerd en gediscrimineerd, een andere status in de Marokkaanse samenleving.[4][11]

Nieuwe stijlen

Marokko werd in 1956 onafhankelijk. In de jaren 1960 en 1970 was er in Marokko veel belangstelling voor internationale revolutionaire- en bevrijdingsbewegingen. De Black Panthers en reggaemuziek golden hierbij als buitenlandse voorbeelden. Gnawa was het Marokkaanse voorbeeld, de eigen link met raciale onderdrukking en bevrijding van slavernij.

Bands als Nass El Ghiwane, Jil Jilala en Lemchaheb droegen bij aan de populariteit van gnawa door het te combineren met popstijlen en soms politieke teksten. Ze creërden zo nieuwe Marokkaanse muziek.[3][5][16]

Diverse (Marokkaanse) artiesten gingen gnawa mengen met andere stijlen als pop, jazz, blues, reggae en hiphop. Ze werden hiermee succesvol in binnen- en buitenland. Voorbeelden hiervan zijn Majid Bekkas en Hassan Hakmoun.[17][18]

Gnawa als populaire muziek

Deze ontwikkelingen leidden er ook toe dat gnawamuziek vaker ter vermaak wordt gespeeld, buiten de context van traditionele rituelen en ceremonies. Gnawa wordt vaker dan voorheen gespeeld in clubs, cafés en op festivals, en verspreid via radio, tv en YouTube. Sommige muzikanten hebben de muziek geleerd via cd's en YouTube, en niet door vele jaren bij maalems in de leer te zijn of in ceremonies mee te spelen. Sommige van deze muzikanten hebben hierdoor minder binding met de spirituele en religieuze kant van gnawa.

Gnawamuzikanten houden vaker rekening met de smaak van het publiek, bijvoorbeeld met kortere songs. Dit heeft ook gevolgen voor traditionele ceremonies, waar het publiek bijvoorbeeld vaker vraagt om bepaalde populaire hits. Ook zijn er artiesten die gnawa voor een westers publiek presenteren als Afrikaanse, trance-opwekkende muziek, en hierbij de rituele en islamitische aspecten buiten beschouwing laten.[1][2][5][6][19][20]

De toegenomen populariteit van gnawa droeg er aan bij dat gnawa meer geaccepteerd werd als onderdeel van de cultuur van Marokko. Sinds eind jaren 1990 vindt in Essaouira het Gnawa and World Music Festival plaats, met steun van de Marokkaanse overheid.[4]

Internationale belangstelling

Sinds (ongeveer) de jaren 1960 raakten Amerikaanse en Britse artiesten geïnteresseerd in gnawa. Verschillende artiesten bezochten Marokko en/of werkten met gnawamusici samen: Randy Weston, Jimi Hendrix, Robert Plant, Wayne Shorter, Pharoah Sanders, Pat Metheney, Bill Laswell, Archie Shepp, Don Cherry en anderen. Muzikanten als Weston zagen verwantschap tussen Afro-Amerikaanse muziek en gnawa, muziek van voormalig Afrikaanse slaven. Gnawa werd ook wel Afrikaanse blues genoemd. Weston bracht in 1994 het album The Splendid Master Gnawa Musicians of Morocco uit, waarop hij samenspeelde met diverse maalems. Dit album werd genomineerd voor een Grammy. Ook Sanders en Laswell namen albums op met maalems.[3][4][5][14][21][22][23][24][25]

Ook in Europa lieten musici zich door gnawa beïnvloeden. Voorbeelden hiervan Karima El Fillali (Nederland)[26], Think of One,[27] Marockin' Brass[28] (België) en Bab L' Bluz (Frankrijk).[29]

Ook werden er diverse malen gnawafestivals en -evenementen buiten Marokkko georganiseerd, bijvoorbeeld in Den Haag, Utrecht en Gent.[30][31][32]

Artiesten

Asmaa el Hamzaoui.

Voorbeelden van artiesten uit het gnawa-genre:

  • Abdellah Boulkhair El Gourd
  • Asmaa Hamzaoui
  • Aziz Sahmaoui
  • Gnawa Diffusion
  • Hamid El Kasri
  • Hassan Hakmoun
  • Houssaine Kili
  • Mahmoud Guinea/Gania
  • Majid Bekkas
  • Mehdi Nassouli

Meer informatie

  • (en) Kapchan, Deborah A. (2007). Traveling spirit masters: Moroccan Gnawa trance and music in the global marketplace. Wesleyan University Press. ISBN 978-0-8195-6851-9.
  • (en) Witulski, Christopher (2018). The gnawa lions: authenticity and opportunity in Moroccan ritual music. Indiana University Press. ISBN 978-0-253-03679-7.