Gewone schelpjesmolenaar

Gewone schelpjesmolenaar
Gewone schelpjesmolenaar
Taxonomische indeling
Rijk:Fungi (Schimmels)
Stam:Basidiomycota (Steeltjeszwam)
Klasse:Agaricomycetes
Onderklasse:Agaricomycetidae
Orde:Agaricales (Plaatjeszwam)
Familie:Entolomataceae
Geslacht:Clitopilus
Soort
Clitopilus hobsonii
(Berk.) P.D. Orton (1960 [1])
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Schimmels

De gewone schelpjesmolenaar (Clitopilus hobsonii) is een schimmel behorend tot de familie Entolomataceae. De soort leeft saprotroof en groeit in kleine groepjes op humus, grof strooisel, bladeren, takjes en stengels. Hij komt voor in loof- en naaldbossen, struikgewas en graslanden, op uiteenlopende soorten bodems.[2]

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken

Hoed

De hoed is zeer dun, 2–15 mm in diameter, aanvankelijk min of meer rond, later niervormig of boonvormig en vaak gelobd. Hij is afgeplat, soms licht gewelfd en zeer fijn behaard of gezoomd (alleen onder een loep zichtbaar). Het oppervlak is glad en wit.

Lamellen

De hymenofoor is lamellair. Er zijn tot circa 20 lamellen, tamelijk wijd uiteenstaand, smal en aangehecht. Aanvankelijk zijn ze wit, later rozeachtig van kleur.

Steel

Meestal ontbreekt een steel. Indien aanwezig is deze sterk gereduceerd, excentrisch of zijdelings geplaatst, tot 1,5 mm lang en 0,2–0,5 mm dik, wit en berijpt.

Geur en smaak

Het vlees is zeer dun, wit, zonder opvallende geur of smaak.

Microscopische kenmerken

De sporen meten (6,5–) 7,5–8,5 (–10,0) × 5,0–5,5 (–6,0) µm [3] zijn elliptisch tot langwerpig met 6–12 duidelijke ribben op het oppervlak. De basidia zijn viersporig en meten 16–24 × 5–8,5 µm. De hyfen in de buitenste hoedlaag zijn cilindrisch, 2–4,5 µm dik, en bevatten geen pigment. Er komen geen cystiden voor. De hyfen hebben geen gespen.

Vergelijkbare soorten

De soort is moeilijk te onderscheiden van Clitopilus daamsii, die nog kleiner is (hoeden van 2–8 mm) maar duidelijk grotere sporen heeft.

Ecologie

De gewone schelpjesmolenaar is een saprotroof die groeit op hout of kruidachtige planten, zowel op levende als dode stengels van kruiden, grassen en zeggen. De vruchtlichamen verschijnen afzonderlijk of in kleine groepjes van mei tot november.

Verspreiding

De soort is beschreven uit enkele Europese landen. In Nederland komt het gewone schelpjesmolenaar algemeen voor. Het staat niet op de rode lijst en is niet bedreigd.[2]