George B. Anderson
| George Burgwyn Anderson | ||
|---|---|---|
![]() | ||
George B. Anderson in 1862 | ||
| Geboren | 12 april 1831 Orange County, North Carolina | |
| Overleden | 17 oktober 1862 Raleigh, North Carolina | |
| Rustplaats | Historic Oakwood Cemetery Raleigh, North Carolina | |
| Land/zijde | ||
| Onderdeel | ||
| Dienstjaren | 1852-1861 (USA) 1861-1865 (CSA) | |
| Rang |
| |
| Bevel | 4th North Carolina Infantry | |
| Slagen/oorlogen | Utahoorlog | |
George Burgwyn Anderson (Orange County, 12 april 1831 – Raleigh, 17 oktober 1862) was een Amerikaans beroepsmilitair. Na een loopbaan in het United States Army nam hij bij het begin van de Amerikaanse Burgeroorlog dienst in het Confederate States Army. Hij klom op tot de rang van brigadegeneraal. Hij raakte dodelijk gewond tijdens de Slag bij Antietam en overleed een maand later aan zijn verwondingen.
Vroege jaren
George B. Anderson werd geboren op 12 april 1831 in Orange County, North Carolina. Hij was de oudste zoon van William E. Anderson en Frances Eliza Burgwyn. Zijn ouders waren welgestelde plantage-eigenaren. Anderson was de achterneef van kolonel Henry K. Burgwyn. George Anderson liep school aan de Caldwell Institute en vervolgde zijn studies aan de Universiteit van North Carolina. Hij werd toegelaten tot de United States Military Academy in West Point. Anderson studeerde af in 1852 als tiende in een klas van 43 kadetten.[1][2] Hij werd ingedeeld bij de 2nd U.S. Dragoons als gebrevetteerd tweede luitenant en kreeg een opleiding aan de cavalerieschool in de Carlisle Barracks in Pennsylvania.[1] Op 21 maart 1854 werd hij bevorderd tot tweede luitenant.[2]
U.S. army en huwelijk
Na zijn opleiding in Pennsylvania werd Anderson naar Californië gestuurd om een mogelijke route voor een spoorweg in kaart te brengen. Daarna meldde hij zich aan bij zijn regiment in Fort Chadbourne in Texas. Op 13 december 1855 werd hij bevorderd tot eerste luitenant.[2] In 1858 werd hij aangesteld als adjudant van het regiment terwijl ze dienden in de Utahoorlog.[3] Een jaar later werd hij naar Louisville, Kentucky gedetacheerd waar hij werkte als rekruteringsofficier. Hij ontmoette daar Mildred Ewing en huwde haar kort nadien.
Amerikaanse Burgeroorlog
Na de Aanval op Fort Sumter, die het begin van de Amerikaanse Burgeroorlog inluidde, nam Anderson op 25 april 1861 ontslag uit het United States Army en keerde terug naar huis.[2] Op 16 juli benoemde de gouverneur van North Carolina, John Willis Ellis, Anderson tot kolonel van het 4th North Carolina Infantry. Tussen 14 oktober 1861 en 25 maart 1862 was hij bevelhebber van het garnizoen in Manassas, Virginia.[4]
Schiereilandveldtocht en Malvern Hill
Op 9 juni 1862 werd Anderson bevorderd tot brigadegeneraal voor zijn leiderschapskwaliteiten tijdens de Slag bij Williamsburg, de maand voordien.[2] Hij werd bevelhebber van een brigade in de divisie van generaal-majoor Daniel H. Hill die hij aanvoerde tijdens de Zevendagenslag. Bij Malvern Hill voerde Anderson niet alleen het bevel over zijn eigen brigade, maar kreeg hij ook de verantwoordelijkheid over brigadegeneraal Winfield S. Featherstons brigade van de divisie van James Longstreet. Featherston was de dag ervoor gewond geraakt. Veel van zijn hogere officieren waren eveneens gesneuveld of gewond waardoor er enkel majoors en kapiteins overbleven. Ook Anderson raakte gewond en zijn brigade werd overgenomen door kolonel Charles Tew van de 2nd North Carolina Infantry Regiment. Terwijl Anderson herstelde van zijn verwondingen werd hij ingedeeld in de 4th Brigade van generaal-majoor G.W. Smiths divisie die de verdedigingswerken rond Richmond bemande.[2]
Marylandveldtocht en Antietam
Anderson was voldoende hersteld om, net voor de Marylandveldtocht, opnieuw het commando van zijn brigade op zich te nemen. Hij nam deel aan de Slag bij South Mountain op 14 september 1862 en marcheerde daarna met zijn brigade naar Sharpsburg, Maryland waar het Army of Northern Virginia zicht concentreerde langs de Antietam Creek.
Tijdens de Slag bij Antietam op 17 september 1862 voerde Anderson zijn veteranen aan tijdens de gevechten in en rond de Sunken Road of "Bloody Lane" tegen de verschillende aanvallen van de Noordelijken. Hij werd geraakt door een Minié-kogel die zijn enkel verbrijzelde. Anderson werd naar Staunton, Virginia gebracht om te herstellen van zijn verwondingen. Daarna werd hij per trein naar Raleigh, North Carolina gebracht. Er trad echter een infectie op aan zijn voet en hij overleed op 17 oktober aan de gevolgen van zijn verwondigen.[2]
George B. Anderson werd begraven in de Historic Oakwood Cemetery in Raleigh.[2]
Zie ook
Lijst van generaals in de Amerikaanse Burgeroorlog (Confederatie)
Voetnoten
- 1 2 Warner, Ezra J., Generals in Gray: Lives of the Confederate Commanders, Louisiana State University Press, 1959, ISBN 0-8071-0823-5. pp. 5-6.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 Eicher, John H., and Eicher, David J., Civil War High Commands, Stanford University Press, 2001, ISBN 0-8047-3641-3.
- ↑ Appletons' annual cyclopaedia and register of important events of the year: 1862. New York: D. Appleton & Company, 1863. p. 678.
- ↑ Sifakis, Stewart. Who Was Who in the Civil War. New York: Facts On File, 1988. ISBN|978-0-8160-1055-4. p. 9.
Bronnen
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel George B. Anderson op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- Appletons' annual cyclopaedia and register of important events of the year: 1862. New York: D. Appleton & Company, 1863.
- Eicher, John H., and Eicher, David J., Civil War High Commands, Stanford University Press, 2001, ISBN 0-8047-3641-3.
- Evans, Clement A., Confederate Military History, Vol. III, Atlanta: Confederate Publishing Company, 1899.
- Johnson, Rossiter, ed. (1906). "Anderson, George B.". The Biographical Dictionary of America. Vol. 1. Boston: American Biographical Society.
- Sifakis, Stewart. Who Was Who in the Civil War. New York: Facts On File, 1988. ISBN 978-0-8160-1055-4.
- Warner, Ezra J., Generals in Gray: Lives of the Confederate Commanders, Louisiana State University Press, 1959, ISBN 0-8071-0823-5.
