Geertruid Adriaansdr

Geertruid Adriaansdr (Wormer, ? - IJpesloot bij Amsterdam, 28 juni 1573) was een katholieke boerin en martelares.

Over Geertruids leven is weinig met zekerheid bekend. De belangrijkste bron voor haar relaas is het Martelaars-boek van Petrus Opmeer. In haar jeugd was zij aangesloten bij de parochie van Maarten Donck, die van 1541 tot 1558 pastoor was in Wormer. Nadat de doperse beweging daar was onderdrukt, trachtte Donck het vertrouwen van de gelovigen te herwinnen, door onder meer de oprichting van een Latijnse school. Het ligt niet voor de hand dat Geertruid dit onderwijs heeft gevolgd, maar haar broer Cornelis waarschijnlijk wel. Hij werd later kapelaan in Berkel (Zuid-Holland) en moest begin 1573 naar Amsterdam vluchten. Toen Geertruid vernam dat haar broer als priester betrokken was bij de begrafenis van gesneuvelde soldaten, ging zij hem opzoeken om voedsel te brengen. Amsterdam was toen omsingeld door watergeuzen en kampte met ernstige voedseltekorten. Op 27 juni 1573 probeerde zij per boot, samen met haar schoonzus, de stad te bereiken. Hun boot werd echter onderschept door Waterlandse boeren, die hen overdroegen aan geuzen bij het gehucht IJpesloot aan de Diemerzeedijk.

Geertruid werd daar ondervraagd en werd ervan beschuldigd levensmiddelen naar de belegerde stad te brengen. Opmeer schrijft dat zij haar katholieke geloof verdedigde en weigerde daarvan afstand te nemen. De volgende dag, op 28 juni, werd zij opgehangen. Haar bezittingen - een bovenrok en een hoofdkapje - gaf zij aan omstanders met het verzoek deze aan haar man te geven voor hun kinderen. Haar lichaam werd na de executie in het IJ geworpen. Het bericht over de executie van Geertruid werd door haar schoonzus, die zelf was vrijgekocht, naar Wormer gebracht en maakte daar diepe indruk op de bevolking.

In latere publicaties is het relaas aangevuld met sterk aangezette beschrijvingen.