Gabriele Maria Gravina

Gabriele Maria Gravina O.S.B.
Aartsbisschop van de Rooms-Katholieke Kerk
Wapen van een aartsbisschop
Geboren 30 juni 1753
Plaats Montevago, koninkrijk Sicilië
Overleden 18 april 1840
Plaats Napels, koninkrijk der Beide Siciliën
Wijdingen
Priester 6 april 1776
Bisschop 13 november 1791
Kerkelijke carrière
1776-1840 Benedictijn
1789-1792 Vicaris-generaal bisdom Agrigento
1791-1816 Titulair bisschop van Flavias
1792-1802 Vicaris aartsbisdom Monreale
1802-1816 kanunnik kathedraal Palermo; deken kapittel; apostolisch administrator aartsbisdom Palermo
1816-1817 Bisschop van Catania
1817-1840 Hoofdhofkapelaan Beide Siciliën, Napels
1818-1840 Titulair aartsbisschop van Melitene
1818-? Prelaat Santa Lucia del Mela
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Ridderketting Orde van Sint-Januarius
Binnenzicht kerk San Giuseppe dei Ruffi, Napels. Hier ligt Gravina begraven.

Gabriele Maria Gravina di Montevago (Montevago, 30 juni 1753Napels, 18 april 1840), was een Italiaans edelman en benedictijn. Gravina was een rooms-katholiek prelaat in het koninkrijk Sicilië en nadien in het koninkrijk der Beide Siciliën.[1]

Hij was meer dan twintig jaar de hoofdkapelaan van het koninklijk hof der Beide Siciliën gesitueerd in Napels. Hij diende koningen Ferdinand I, Frans I en Ferdinand II van het huis Bourbon-Sicilië.

Levensloop

Koninkrijk Sicilië

Gravina was een zoon van Giovanni Gravina e Moncada, prins van Montevago, hertog van San Michele en grande van Spanje, en van Eleonora, dame van Napels en Montaperto uit de prinselijke familie Resuttana.[2] Hij werd geboren in het stamland Montevago. Als tiener trok hij in het klooster. Hij trad binnen bij de benedictijnen van Abdij San Martino delle Scale in Monreale, nabij Palermo. Zijn kloosternaam was Berengario vanaf 1769.

De jonge benedictijn trok naar Rome waar hij theologie en kerkelijk recht studeerde. In Rome werd hij tot priester gewijd in 1776.

Terug in Sicilië werd Gravina vicaris-generaal in het bisdom Agrigento (1789). Twee jaar later benoemde paus Pius VI Gravina tot titulair bisschop van Flavias, dat de Turken Kadirli noemen in het district Kadirli. Gravina werd tot bisschop gewijd (1791) door titulair aartsbisschop Alfonso Airoldi, vicaris-generaal van de clerus aan het koninklijk hof in Palermo; Airoldi was een vertrouweling van het koninklijk huis Bourbon-Sicilië.

In 1792 verliet Gravina Agrigento voor Monreale, waar hij vicaris werd. Bij de komst van aartsbisschop Mercurio Maria Teresi in 1802, verhuisde Gravina van Monreale naar het naburige Palermo. In Palermo maakte Gravina carrière, eerst als kanunnik, dan als deken van het kapittel genoemd primicerius. In zijn periode in Palermo maakte hij de dood van zijn jongere broer Federico Carlo Gravina di Montevago (1756-1806) mee. Deze laatste was een admiraal in dienst van de Spaanse Armada, waar hij vocht in de Slag bij Trafalgar (1806) en kort nadien stierf aan een etterende wonde aan de linker arm (1806).[3]

In Palermo geraakte Gravina bevorderd tot apostolisch administrator, genoemd vicarius capitolaris. Dit is de bestuurder van het aartsbisdom. Immers, na de dood van aartsbisschop Mormile in 1813, bleef het aartsbisdom Palermo zonder aartsbisschop (tot 1816) en dit bleef de situatie tot na het Congres van Wenen (1814-1815).

Koninkrijk der Beide Siciliën

Gravina hield de troon van Palermo bezet tot de komst van zijn oudere broer Pietro Gravina di Montevago die in 1816 kardinaal-aartsbisschop van Palermo werd.

Van 1816 tot 1817 was Gravina bisschop van Catania op bevel van paus Pius VII. Koning Ferdinand I der Beide Siciliën wilde Gravina dichter bij hem, aan het hof in de hoofdstad Napels. Gravina kreeg van de koning de benoeming tot hoofdkapelaan van het koninklijk hof der Beide Siciliën (1817). Dit hof was een fusie van de hofhoudingen van de vorige koninkrijken Sicilië en Napels.

Paus Pius VII verleende hem de waardigheid van aartsbisschop met de titel van aartsbisschop van Melitene (1818), een aartsbisdom dat niet meer bestaat en gevestigd was in de stad Malatya in Turkije, in de provincie Malatya. In parallel benoemde de paus Gravina tot prelaat van de Territoriale prelatuur Santa Lucia del Mela (1818). Eeuwenlang was het ambt van hofkapelaan van het Siciliaanse hof verbonden met deze prelatuur, die rechtstreeks onder pauselijk gezag viel. Koning Ferdinand I moest niet weten van zulke pauselijke invloed op de geestelijkheid in zijn gefusioneerde hofhouding. Ferdinand I verplichtte Gravina onmiddellijk af te zien van deze pauselijke prelatuur. Gravina gaf het terug.

Gravina bleef tot zijn dood in 1840 loyaal aan het huis Bourbon-Sicilië in zijn ambt van hoofdkapelaan aan het hof. Hij werd vereerd met de hoogste eretekens: ridder van de Orde van Sint-Januarius, grootkruis van de Heilige Militaire Constantijnse Orde van Sint-Joris, grootkruis van de Orde van Frans I en grootkruis van de Orde van Karel III van Spanje. Gravina was tevens grootprior van de Heilige Militaire Constantijnse Orde van Sint-Joris.

Hij werd begraven in Napels in de kerk San Giuseppe dei Ruffi onder het altaar van de Santissima Vergine del Verde Olivo of de Allerheiligste Maagd van de Groene Olijftak. Op zijn grafsteen staat vermeld dat hij dit Mariabeeld dagelijks vereerde.[4]