Frits Beijerinck

Frits Beijerinck
Proefschrift
Proefschrift
Persoonlijke gegevens
Geboortedatum 3 oktober 1887Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats NijmegenBewerken op Wikidata
Overlijdensdatum 6 september 1943Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats ApeldoornBewerken op Wikidata
Academische achtergrond
Alma mater Universiteit van Freiburg
Proefschrift Ueber das Leitungsvermögen der Mineralien für Elektricität (1897)
Wetenschappelijk werk
Vakgebied(en) Mijnbouwkunde
Instituten Polytechnische School te Delft

Frits Beijerinck (Nijmegen, 3 oktober 1887 - Apeldoorn, 6 september 1943), mijnbouwkundige, was de zoon van Martinus Willem Beijerinck.

Beijerinck studeerde mijnbouwkunde in Delft en is daarna voor een promotie naar Freiburg gegaan, waar hij promoveerde op "Ueber das Leitungsvermögen der Mineralien für Elektricität".[1] Volgens de titelbladzijde van dit proefschrift was hij toen al in dienst bij het Ministerie van Koloniën.

Daarna is hij naar Nederlands-Indië vertrokken, maar al in 1896 weer teruggekeerd wegens ziekte en in 1898 eervol ontslagen wegens ziekte.

Beijerinck kreeg daarna een aanstelling als hoogleraar aan de Polytechnische School Delft, en zat in 1898 in de benoemingscommissie voor een nieuwe hoogleraar kristallografie in Amsterdam.

Beijerinck wordt in 1903 benoemd tot directeur van de "Dienst der opsporing van delfstoffen van Staatswege". Hij is in deze functie opgevolgd door mr. van Waterschoot van der Gracht, die in "de Ingenieur" een duidelijke beschrijving geeft van de verdiensten van Beijerinck.[2] Deze dienst was vooral belast met de zoektocht naar winbare kolenlagen in Nederland ten behoeve van de Staatsmijnen. Na opheffing van deze (tijdelijke) dienst in 1923 is het werk voortgezet door de Rijks Geologische Dienst. Met name is toen veel onderzoek gedaan in de Peelhorst.