Frans II van Kinschot
| Frans II van Kinschot | ||
|---|---|---|
![]() | ||
| Algemene informatie | ||
| Geboortedatum | 1616 | |
| Overlijdensdatum | 1700 | |
| Werk | ||
| Beroep | gouverneur, functionaris | |
| Studie | ||
| School/ |
Sint-Jan Berchmanscollege, Oude Universiteit Leuven | |
| Familie | ||
| Vader | Frans van Kinschot | |
| Diversen | ||
| Prijzen en onderscheidingen | Orde van Sint-Jacob van het Zwaard | |
![]() | ||
| De informatie in deze infobox is afkomstig van Wikidata. U kunt die informatie bewerken. | ||
Mr. Frans/François II van Kinschot (1616 – 1700) was een Zuid-Nederlandse edelman en bestuurder, bekend als graaf van Sint-Pieters-Jette (Saint-Pierre-Jette) en heer/baron van Rivieren. Hij was lid van het invloedrijke geslacht Van Kinschot en had een belangrijke rol in het bestuur van de Spaanse Nederlanden. In 1654 verhief Koning Filips IV in zijn voordeel Rivieren (ook Riviere) tot baronie, en het geheel van Jette-Ganshoren, Hamme, Relegem en Bever in 1659 tot het graafschap Sint-Pieters Jette.
Levensloop
Van Kinschot werd geboren in 1616 als zoon van François I van Kinschot en Marguerite de Boote. Zijn vader was onder andere kanselier van Brabant en schatbewaarder (“trésorier-général”) van de Zuidelijke Nederlanden. François II studeerde in Brussel onder de Jezuïeten tussen 1629-31. Hij woonde lessen in poëzie en retorica bij. Als onderdeel van zijn retorica-lessen ontwierp François een embleem dat de katholieke doctrine over de drie krachten van de ziel (intellect, wilskracht, geheugen) uitbeeldde. Dit embleem werd tentoongesteld in 1631; het is niet bewaard gebleven.[1]
Van Kinschot trouwde met Marie-Gertrude Lanchals (overleden 1656) in 1640. Zij overleed in 1656. In 1658 hertrouwde François met Angélique Hélène d'Oyenbrugge de Meldert (overleden 1679). Uit dit huwelijk werden drie dochters geboren: Anne Thérèse, Françoise Charlotte en Gisberte Marie. Hij trouwde voor de derde maal met Anna Charlotte van Berghe genaamd Trips (1660-1726) (dochter van Herman Diederich van Berghe Trips, drossaard van Herzogenrath, en van Magdalena Regina van Eynatten van Neubourg).
Van Kinschot studeerde rechten te Leuven. Hij was daarna actief in de financiën en het bestuur van de Spaanse Nederlanden vanaf 1638. In 1640 was van Kinschot schout van Mechelen. In 1645 werd hij benoemd in de Raad van Financiën en tot Ridder in de Orde van St Jacob verheven. Ter gelegenheid van deze verheffing verscheen in datzelfde jaar bij de pers van Balthasar II Moretus een embleemboek met de titel Virtutes Cardinales ethico emblemate expressae. Jacobus Caterus schreef hiervoor een opdracht aan François II, zijn voormalig leerling die de publicatie financierde.[1]
In 1658 kreeg Van Kinschot de functie van coadjutor van de kanselier van Brabant. In 1660 schonk Van Kinschot aan de Schoonbroekse Sint-Sebastiaansgilde haar gildekaart (de caert der Sint-Sebastiaansgilde van Schoonbroek en Kinschot, opgericht door Octroy van Zijne Majesteit). In 1675 volgde Van Kinschots benoeming tot Tresorier-Generaal en in 1686 werd hij Staatsraad.

Van Kinschot overleed in 1700. Hij werd begraven in de abdijkerk van Dilighem waar zijn kleinzoon en erfgenaam Francois de Villegas voor hem een monument oprichtte. Dat werd met de kerk verwoest rond 1796. Francois’ vrouw van Berghe Trips overleefde hem tot 1716. Zij voerde een lang proces met de kinderen uit het tweede huwelijk dat pas tot een akkoord leidde in 1705. Via dochter Anne-Françoise kwamen het kasteel Rivieren, de grafelijke titel St Pierre Jette en het familie-archief van de familieleden in de Zuidelijke Nederlanden buiten de familie Van Kinschot terecht.
Geloof
Francois II moet een zeer vroom katholiek geweest zijn. Hij liet met zijn vrouw in 1649 bij een beeldje van de Heilige Anna, dat aan een boom bevestigd was, een kapel bouwen. De stichting werd goedgekeurd door de abdij van Dielegem te Jette, door mgr. Boonen, aartsbisschop van Mechelen en door paus Innocentius X. François II publiceerde ook drie brochures over de verering tot de Heilige Anna.
Een door François van Kinschot gefinancierde retabel met het beeld van de Sterre der Zee stond in de franciscanenkerk aan de Sint-Pieterstraat te Maastricht.[2] Tijdens de Franse tijd, toen kloosters en kapittels werden opgeheven, werd het beeld van de Sterre der Zee door de gardiaan en leden van de broederschap verborgen. In 1804 kwam het in de Sint-Nicolaaskerk terecht, vanwaar het in 1837 werd overgebracht naar de Onze Lieve Vrouwekerk. Het retabel zelf werd na de Franse tijd geplaatst in de kapel van de Nieuwenhof, maar raakte daarna grotendeels verloren. Enkele bewaarde beeldjes worden tegenwoordig tentoongesteld in de Sterre-der-Zee-kapel van het Regionaal Historisch Centrum Limburg, gevestigd in het voormalige franciscanenklooster aan de Sint-Pieterstraat.

Kasteel Rivieren
François II erfde het landgoed Rivieren in 1651 van zijn vader. In 1654 werd hij tot Baron van Rivieren verheven. In 1659 werd zijn heerlijkheid rondom kasteel Rivieren tot graafschap van Sint-Pieters-Jette (Saint-Pierre-Jette) verheven. François II transformeerde het domein tot een representatief lusthof, waarbij hij het gelijknamige kasteel uitbreidde en verfraaide. Het familiewapen van François II siert delen van het kasteel, onder andere de donjontoren.
Bronnen
- 1 2 Ems, G. (2014). Manuscript Circulation in the Society of Jesus: Student Emblems from the Brussels Jesuit College. Emblematica: an Interdisciplinary Journal for Emblem Studies 21: 161–205. ISSN:0885-968x
- ↑ de la Haye, R. (2023). Waarom heet de 'Sterre der Zee" Sterre der Zee?. De Maasgouw 1: 20-23

