Franciscus Junius (filoloog)

Franciscus Junius
Franciscus Junius
Algemene informatie
Geboortedatum 29 januari 1591Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats Heidelberg
Overlijdensdatum 19 november 1677Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats Windsor
Werk
Beroep filoloog, kunsthistoricus,[1] bibliothecaris[2]Bewerken op Wikidata
Werkgever(s) Universiteit Leiden
Studie
School/universiteit Universiteit Leiden
Familie
Vader Franciscus Junius
Persoonlijk
Talen Latijn
De informatie in deze infobox is afkomstig van Wikidata.
U kunt die informatie bewerken.

Franciscus Junius (Heidelberg, 29 januari 1591[3]Windsor, 1677) was een Nederlands filoloog die een groot deel van zijn leven in Engeland doorbracht. Hij is auteur van het invloedrijke schildertraktaat De Schilder-konst der Oude (Middelburg 1641), dat ook in het Latijn en Engels verscheen. In 1665 verzorgde Junius de allereerste integrale teksteditie van de Gotische Bijbel van Wulfila. Zijn naam wordt verbonden met het Junius Manuscript: een unieke collectie van Oudengelse gedichten.

Biografie

Junius werd geboren in Heidelberg. Hij groeide op in Leiden, waar zijn vader, eveneens Franciscus Junius geheten, in 1592 werd benoemd tot hoogleraar Hebreeuws aan de Universiteit Leiden. In 1602 overleden zijn ouders, waarna hij in Dordrecht ging wonen bij zijn toekomstige zwager, de humanist en geleerde Gerhard Johannes Vossius. Onder invloed van het Twaalfjarig Bestand van 1609 tussen Spanje en de Republiek der Nederlanden wendde Junius zich van militaire naar theologische studies, die hij volgde in Leiden en Middelburg.

In 1617 werd hij predikant in Hillegersberg. Reeds een jaar later legde hij dit ambt neer omdat hij weigerde partij te kiezen in een conflict binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, dat draaide om de tegenstelling tussen de leer van Jacobus Arminius over de vrije wil en die van zijn oom Franciscus Gomarus over de predestinatie.[4] Na zijn aftreden koos Junius voor een periode van reizen. Hij bezocht Frankrijk en vertrok vervolgens naar Engeland, waar hij in 1620 in dienst trad van Thomas Howard, graaf van Arundel, als leermeester van diens zoon en later als bibliothecaris. Voor Arundel, een verzamelaar van klassieke kunstvoorwerpen, schreef hij het theoretische werk De pictura veterum. Dit boek, dat in 1637 in het Latijn verscheen, geldt als een van de grondslagen van het neoclassicisme. Junius vertaalde het zelf in het Engels (1638) en Nederlands (1641), waarbij de Nederlandse editie in het bijzonder was gericht op kunstenaars.

Junius verbleef ruim twintig jaar in Engeland. Toen in 1642 de Engelse Burgeroorlog uitbrak, keerde hij samen met de graaf en diens echtgenote terug naar de Nederlanden. Kort na zijn terugkeer in Holland begon hij zich te verdiepen in de geschiedenis van het Nederlands, en breidde dit onderzoek al snel uit naar de oudste fasen van andere Germaanse talen. Hij publiceerde onder meer een commentaar op een Oudhoogduitse parafrase van het Hooglied, de eerste uitgave van een verzameling Oudengelse gedichten en de eerste editie, met uitgebreide woordenlijst, van de Gotische bijbelvertaling. Bij zijn overlijden liet hij verschillende lexicografische manuscripten na, waaronder een etymologisch woordenboek van het Engels dat postuum werd uitgegeven. Samuel Johnson baseerde zich in zijn Dictionary voor de Germaanse etymologieën grotendeels op Junius’ Etymologicum Anglicanum (in een postume editie van Edward Lye) en op Stephen Skinners Etymologicon Linguæ Anglicanæ.

Junius bezat het handschrift MS Junius 11, ook bekend als het Cædmon-manuscript of de Junius-codex. Hij was een goede bekende van John Milton. Er is gesuggereerd dat overeenkomsten tussen Miltons Paradise Lost en de Genesis-passages in MS Junius 11 te verklaren zijn doordat Milton via Junius toegang had tot het manuscript, al is dit nooit bewezen.

In 1587 vond Junius een fragment van het Heliand, waarmee dit werk voor het eerst in de moderne tijd werd vermeld. Hij was ook de eerste die een grondige studie maakte van de Codex Argenteus of Gotische bijbel. Vanaf 1654 hield hij zich intensief met deze codex bezig, die door Isaac Vossius, zijn neef, in bewaring was gegeven nadat deze het handschrift had verkregen van koningin Christina van Zweden. Junius vervaardigde een volledige transcriptie (MS Junius 55) en betrok de geleerde Jan van Vliet bij zijn onderzoek.

Junius geldt tevens als de eerste die in de periode 1628–1650 een verwijzing maakte naar de foliering van de Nowell Codex (British Library MS Cotton Vitellius A.xv), waarin het Oudengelse epos Beowulf is overgeleverd.

In 1675 keerde Junius terug naar Oxford. Twee jaar later, in november 1677, overleed hij in het huis van zijn neef Isaac Vossius te Windsor. Hij werd begraven in de Sint-Georgekapel aldaar. Tijdens zijn leven verzamelde hij een aanzienlijke collectie oude handschriften, die hij bij testament naliet aan de Bodleian Library van de Universiteit van Oxford. Tot deze erfenis behoorden onder meer een belangrijk handschrift met Oudengelse poëzie, bekend als het Junius-manuscript, en het unieke handschrift van de Ormulum.