Forstnerboor


Een forstnerboor, ook wel cilinderboor genoemd, is een speciaal type boor dat ontworpen is om relatief grote, zuivere gaten met een vlakke bodem te boren in hout en andere zachte materialen, zoals kunststof. Het bereik qua diameter van het boorgat ligt meestal tussen de 15 en 150 millimeter.
Geschiedenis
De naamgever is de Amerikaanse uitvinder Benjamin Forstner (1834–1897). Hij patenteerde dit type boor in 1886.
Werking
De werking van de forstnerboor vertoont enige overeenkomst met die van een speedboor. Centraal bevindt zich een kleine centreerpunt om de boor tijdens het boren op zijn plaats te houden. Aan weerszijden van deze punt bevindt zich een iets scheef geplaatst afgeschuind recht snijvlak dat het overgrote deel van het snijwerk verricht tijdens het boren. Doordat het snijvlak iets scheef staat, worden de spanen tijdens het boren het gat uitgeworpen.
Rondom de snijvlakken bevindt zich een cirkelvormig mes dat twee onderbrekingen heeft. De rand van dat mes kan gekarteld, gegolfd of vlak zijn, of een combinatie van die drie vormen. Dit onderdeel heeft als functie om houtvezels te doorsnijden.
Eigenschappen
De forstnerboor kan gaten boren van grote diameters, en met een mooi glad oppervlak. De bodem van het geboorde gat is vlak, met uitzondering van het kleine gaatje dat veroorzaakt wordt door de centreerpunt. Het is met dit type boor mogelijk om overlappende gaten te boren, en ook kan aan de rand van een werkstuk worden geboord.
Als de boor wordt gebruikt om een werkstuk helemaal te doorboren, dan kan aan de achterzijde van dat werkstuk vrij makkelijk splintervorming optreden. Een forstnerboor met veel zaagtanden aan het cirkelvormige mes is hier het gunstigst, maar het nadeel van dat type boren is dan weer dat het resultaat iets minder glad wordt.