Feuerwehr-Ehrenzeichen (1938)

Feuerwehr-Ehrenzeichen
Het Ereteken van de Brandweer 2e graad.
Het Ereteken van de Brandweer 2e graad.
Uitgereikt door Vlag van nazi-Duitsland nazi-Duitsland
Type Ereteken
Bestemd voor Leden van de brandweer
Uitgereikt voor Für Verdienste im Feuerlöschwesen
(Voor Verdiensten bij Brandbestrijding)
Status In onbruik geraakt
Beschrijving Zie het versiersel
Statistieken
Instelling 30 januari 1938[1][2][3][1][4]
Totaal uitgereikt ca.147 (1e graad)
(september 1944)[5][6]
Postume
uitreikingen
Ja, 1e graad[3]
Volgorde
Volgende (hoger) Eikenloof met getal "40"[6][5][3]
Gelijkwaardig Reichsfeuerwehrehrenzeichen
Volgende (lager) Geen
Portaal  Portaalicoon   Ridderorden

Feuerwehr-Ehrenzeichen (Nederlands: Ereteken van de Brandweer) werd op 30 januari 1938 door de Duitse Führer Adolf Hitler ingesteld. Het ereteken was ter erkenning van de verdiensten van brandweerleden.

Geschiedenis

In 1936 had de toenmalige rijksminister van Binnenlandse Zaken Wilhelm Frick het Reichsfeuerwehrehrenzeichen (Rijksbrandweerteken) (Deutsches Reichsgesetzblatt 22 december 1936, blz. 1146) ingesteld. Dat werd echter al snel door een nieuw decreet van Hitler vervangen. De twee klassen van het ereteken bleef behouden. Het enige verschil was dat de voorheen onconventionele eerste graad Steckabzeichen, een kruis met speld, nu werd omgezet in een lintorde. Deze versierselen vervingen alle bestaande brandweeronderscheidingen van de verschillende deelstaten van Duitsland.[5]

Het versiersel

Het ereteken bestond uit een Grieks kruis met een laag wit email, waaruit in het midden rode, vlamachtige ornamenten in vier richtingen uitstralen. Tussen de armen loopt een vergulde inscriptiering, met een zilveren of gouden achtergrondkleur afhankelijk van de graad. In het midden van het kruis bevindt zich een witte medaillon met een hakenkruis. Tussen de armen van het kruis ligt een cirkel met de inscriptie:
Für Verdienste im Feuerlöschwesen (Nederlands: Voor Verdiensten bij Brandbestrijding).

Het ereteken van de 2e graad was zilverkleurig en hing aan een vermiljoen-wit-vermiljoen lint met donkerrode zelfkanten.[7] Het was 43 mm in diameter en had een vlakke achterzijde. Het ereteken van de 1e graad was identiek aan dat van de 2e graad, maar dan goudkleurig. De diameter bedroeg 58–60 mm. De versierselen werden vervaardigd uit tombak.[7] Het ontwerp was van de Berlijnse militair schilder en uniform-expert Herbert Knötel.[8][9]

Het versiersel der 1e graad werd gepresenteerd in een zwarte cassette van kunstleer met geen opschrift.[10] Het heeft aan de binnenzijde een wit satijn voering aan de bovenkant een zwarte fluwelen voering aan de onderkant. En een ondertekende oorkonde werd mee uitgereikt. De 2e graad werden in een papieren enveloppe uitgereikt.[11]

Op 12 augustus 1944 werd het ereteken uitgebreid met 2e graad met Eikenloof met getal "40".[12] Het is niet bekend of dit ereteken ook daadwerkelijk uitgereikt is.[3][5]

Graden

  • 1e graad met een goudomrand vuurkruis op witte achtergrond, met een gouden randschrift.[4]
  • 2e graad met een zilveromrand vuurkruis op witte achtergrond, met een zilveren randschrift.[4]

Kwalificatie voor toekenning

  • 1. de eerste graad werd toegekend aan leden van de beroepsbrandweer, Feuerschutzpolizei (brandbeschermingspolitie) of leden van de vrijwillige brandweer en brandweerbestuurders; voor buitengewoon verdienstelijke dienstverlening, inclusief daden van moed.[9][5]
  • 2. de tweede graad werd toegekend aan leden van beroepsbrandweer (brandbeschermingspolitie) of vrijwillige brandweer die na 1 mei 1936 hun 25e dienstjaar als brandweerlid in eer en trouw hebben voltooid. Ook buitenlanders in dienst van de Duitse brandweer konden in aanmerking komen voor deze onderscheiding.[13][5][9]

Het recht van toekenning

Formulier voor de voordracht van het ereteken 1e graad.

De voordracht werd gedaan door de Reichsführer der SS en Chef van de politie Heinrich Himmler (in zijn capaciteit als chef van de politie, waar de brandweerkorpsen onder vielen). Hij gaf de voordracht weer door aan de rijksminister van Binnenlandse Zaken Wilhelm Frick. Hitler behield het recht om het ereteken 1e graad te accorderen, met de de minister van staat en stafchef Otto Meißner om de 2e graad te accorderen.[3][14]

Draagwijze

Het ereteken werd aan een vermiljoen-wit-vermiljoen lint op de linkerborst gedragen; dit was voor beide graden hetzelfde. Wanneer een gedecoreerde met de 1e graad was onderscheiden, mocht hij de 2e graad niet gelijktijdig dragen.[5][13][4]

Na de Tweede Wereldoorlog

Na de capitulatie van Duitsland verboden de geallieerde mogendheden het dragen van Duitse onderscheidingen, waaronder die van vóór 1918. In de DDR bleef dit verbod onverkort van kracht.

Op 26 juli 1957 vaardigde de Bondsrepubliek Duitsland een wet uit die het dragen van onderscheidingen met hakenkruizen of SS-runen verbood. Het dragen, verzamelen, tentoonstellen en afbeelden van dergelijke insignes werd sindsdien wettelijk gereguleerd. Een aantal onderscheidingen werd daarna in een “gedenazificeerde” uitvoering opnieuw toegestaan, waarbij het hakenkruis en soms ook de adelaar werden verwijderd.[15] In de gedenazificeerde uitvoering mogen het ereteken wel worden gedragen.

Zie ook