Explosie bij Marbon Amsterdam

Overzicht brandende fabriek

De explosie bij Marbon Amsterdam is een ongeval dat plaatsvond op 10 augustus 1971 in een chemische fabriek in Amsterdam, waarbij negen doden vielen en 22 personen gewond raakten.

Achtergronden

In 1965, kort na de vestiging van de Mobil Oil raffinaderij in Amsterdam, besluit Marbon Europe N.V. (onderdeel van het Borg-Warner concern) daar een fabriek te willen bouwen voor de productie van ABS, een kunststof waar onder meer meubels en speelgoed van worden vervaardigd. De keuze valt op een locatie aan de Cyprusweg in het Westelijk Havengebied van Amsterdam.

Hoewel ABS zelf ongevaarlijk is, worden bij de productie daarvan verschillende gevaarlijke stoffen gebruikt, onder andere 1,3-butadieen (zeer explosief) en de zeer giftige verbindingen acrylonitril en styreen. In de jaren zestig van de twintigste eeuw bestonden er echter nauwelijks wetten en regels voor chemische bedrijven. Zo was in Amsterdam bijvoorbeeld alleen een hinderwetvergunning noodzakelijk. De sinds 1952 van kracht zijnde Hinderwet werd door de landelijke overheid sowieso al niet al te voortvarend afgedwongen; zelfs de toenmalige verantwoordelijke staatssecretaris riep op overtredingen (in ieder geval in eerste instantie) niet met sluiting te bestraffen.[1] Marbon "vergeet" die vergunning dan ook aan te vragen, evenals de eveneens vereiste vestigingsvergunning.

Als eind 1965 in de gemeenteraad de bouwgrondaanvraag voor Marbon wordt ingebracht, staan de gebouwen er al. (Later rijst het vermoeden dat dit onderhands geregeld is). De gemeenteraad ziet weinig andere mogelijkheid dan een schoorvoetend akkoord.

Marbon vraagt in 1967, twee jaar na de bouw van de fabriek, alsnog een hinderwetvergunning aan. De gemeente Amsterdam blijkt echter een enorme achterstand te hebben opgebouwd in de vergunningbeoordeling. In 1969 wordt chemisch ingenieur Jan Cleij door de gemeente Amsterdam aangesteld bij de voorloper van de huidige Milieudienst en als enige verantwoordelijk ambtenaar belast met het wegwerken van de achterstand. De door Marbon aangevraagde hinderwetvergunning wordt mede daardoor pas verleend op 10 augustus 1971.[1]

Het ongeval

Juist op die dag ontstaat in de fabriek een lekkage in een reactorvat op de afdeling waar latex geproduceerd wordt. Het uitstromende borrelende schuim met daarin onder andere 1,3-butadieen (een explosieve stof zwaarder dan lucht) loopt uit het vat in de werkruimte en het afgesloten trappenhuis en vormt uiteindelijk een schuimlaag van een halve meter hoog.

De eigen bedrijfsbrandweer en de ook opgeroepen gemeentebrandweer hebben geen ervaring met een dergelijk incident en en zijn daarin ook niet getraind. Wanneer zij proberen het schuim weg te spuiten, komt het boven de schuimlaag ontstane gasmengsel van 1,3-butadieen en zuurstof tot ontploffing. Hierbij komen negen brandweerlieden om het leven (vijf Amsterdamse brandweerlieden en vier leden van de bedrijfsbrandweer) en raken 22 andere personen gewond.

De explosie en de daarop volgende brand zorgen voor chaos op het Marbon-terrein. Het ambulancepersoneel krijgt een verbod om gewonden aan te raken die bedekt zijn met een wit poeder omdat het zou kunnen gaan om het ook op het terrein gebruikte en opgeslagen acrylonitril. Dit leidt tot onrust bij de brandweerlieden die hun gewonde collega's zo snel mogelijk behandeld wilden zien. Pas wanneer Jan Cleij arriveert, wordt duidelijk dat de tanks met acrylonitril nog intact zijn en komt de hulpverlening goed op gang.

Tal van bedrijven in de wijde omgeving worden stilgelegd en geëvacueerd. In de dan benedenwinds liggende Zaanstreek wordt met geluidswagens gewaarschuwd binnen te blijven vanwege mogelijk giftige stoffen in de rook.

Na de ramp

De ramp zorgde niet voor veranderingen in de fabriek. in 1972 startte de fabriek alweer op, zonder verdere preventieve maatregelen of aanpassingen; alleen de latex-afdeling bleef definitief gesloten. Door de fabriek te hernoemen naar het moederbedrijf van Marbon, Borg-Warner, hoopte men de negatieve associaties kwijt te raken.

Gevolgen voor de incident-/rampenbestrijding

Na de ramp ontstonden heftige discussies over niet alleen de verantwoordelijkheid, maar ook de aanpak van het incident. Vóór de ramp was de brandbestrijding bij chemische bedrijven namelijk hun eigen verantwoordelijkheid, en daarmee vaak pover en vrijblijvend geregeld. Hoewel de bedrijfsbrandweer van Marbon getraind werd door de Amsterdamse brandweer bleek zij toch niet te beschikken over voldoende kennis van (en ervaring met) brand- en rampenbestrijding in meer algemene zin, terwijl de gemeentelijke brandweer juist weer onvoldoende op de hoogte was van de situatie ter plaatse en daardoor de specifieke risico's van de interne bedrijfsprocessen niet goed kon inschatten. Dit alles werd nog vergergerd doordat de enige brandweerman met specifieke kennis van Marbon (de trainer van de bedrijfsbrandweer) bij de ramp om het leven kwam.

Daarenboven werd ook duidelijk dat de uitrusting van zowel de bedrijfsbrandweer als de gemeentelijke brandweer ontoereikend was voor het bestrijden van incidenten in de chemische industrie.

Uiteindelijk leidde de ramp tot verschillende maatregelen. Zo ontwikkelde de Amsterdamse brandweer 'aanvalsplannen' voor de individuele chemische bedrijven in de regio: hierin wordt voor elk bedrijf(sdeel) nauwkeurig voor alle ter plaatse aanwezige chemicaliën beschreven wáár zij te vinden zijn, wat hun risico's zijn en hoe een incident bestreden zou moeten worden. Ook werd de uitrusting van de brandweer verbeterd met specifieke apparatuur en blusmiddelen voor chemicaliën.

Ook in de daaropvolgende jaren vonden diverse kleinere en grotere industriële incidenten met gevaarlijke stoffen plaats. Na het bekendste incident, de Sevesoramp van 1976, heeft de Europese Gemeenschap wetgeving uitgewerkt om in preventieve zin mens en milieu beter te kunnen beschermen tegen industriële ongevallen én bij een daadwerkelijk incident de consequenties zo veel mogelijk te beperken. Die zogenaamde Seveso-richtlijn geldt voor alle bedrijvigheid met gevaarlijke stoffen binnen de Europese Unie (de zogenaamde Seveso-inrichtingen of Sevesobedrijven) en is in Nederland verder uitgewerkt als onderdeel van de Omgevingswet.

Bronnen

  • Duin, Menno Joost van (1992) Van rampen leren : een vergelijkend onderzoek naar de lessen uit spoorwegongevallen, hotelbranden en industriële ongelukken. Den Haag: Haagse Drukkerij en Uitgeversmij, ISBN 9071504158.
  • Koppers, Gerard (1999) De Amsterdamse brandweer op weg naar de toekomst, Grave: HHS, ISBN 9070674157
  • Nationaal Brandweer DocumentatieCentrum: Rapport Inspectie voor het Brandweerwezen
  • Marbon, Andere Tijden, 28 december 2000
  1. 1 2 Jansen Hendriks & Praamsa, Andere Tijden: Marbon. Geraadpleegd op 15-11-2025.