Elle n’est pas morte (Eugène Pottier)

.jpg)
Elle n’est pas morte is een strijdlied van Eugène Pottier geschreven mei 1886 ter herinnering aan de Commune van Parijs uit 1871 opgedragen aan de overlevenden van de bloedige week (Aux survivants de la semaine sanglante).
Geschiedenis
Toen op 26 januari 1871 de Franse regering capituleerde voor de Duitsers werd de Parijse bevolking, die een beleg van 4 maanden had doorstaan, woedend. De capitulatie werd als een verraad gezien, terwijl gevreesd werd dat Parijs bezet ging worden door Duitse troepen. In de verkiezingen die volgden op de capitulatie stemde het grote merendeel van Parijs op socialistische en radicaal republikeinse kandidaten.
De nieuwe nationale regering stopte met het betalen van loon aan de honderdduizend leden van de Nationale Garde. Wilde tevens de Nationale Garde de wapens ontnemen vanwege het revolutionair karakter. De Nationale Garde weigerde om hun wapens af te geven en op 18 maart brak er een oproer uit nadat de regering 227 kanonnen uit Belleville en Montmartre wilde laten weghalen. Toen de Nationale Garde er kennis van kreeg dat het leger kanonnen in beslag aan het nemen was, besloot deze in te grijpen. De leden van de Nationale Garde omsingelde samen met een protesterende menigte de soldaten die hiermee bezig waren. De soldaten trokken zich terug en hun officieren werden gevangen genomen. Daarop trokken leger en regering zich terug uit Parijs naar Versailles. De Nationale Garde nam vervolgens de stad in en riep de Commune van Parijs uit.
De regering-Thiers te Versailles stuurde uiteindelijk een leger om Parijs weer in te nemen. De revolutie werd zo bloedig onderdrukt door gevechten en massa-executies dat de week van 21 tot 28 mei 1871 de semaine sanglante, de bloedige week, werd genoemd. In totaal werden ongeveer 30.000 mensen gedood en 40.000 gevangen genomen.
Eugène Pottier
Pottier groeide op in Parijs. Ging nog jong werken in een textielfabriek. Geïnspireerd door de chansons van Pierre-Jean de Béranger ging hij zelf strijdliederen schrijven. Tijdens de Februarirevolutie en het Juni-oproer in 1848 in Parijs werden zijn liederen gezongen. Zelf stond hij eveneens op de barricaden. In 1871 was dit opnieuw het geval. Tijdens de Commune van Parijs was hij bataljonscommandant en korte tijd burgemeester van een van de Parijse arrondissementen. Na het neerslaan van deze revolutionaire beweging moest hij vluchten. Hij reisde via Engeland naar Amerika. Nadat de Communards in 1879 gratie hadden gekregen was voor hem de weg vrij om terug te keren naar Parijs, waar hij in 1887 op 71-jarige leeftijd overleed. Hij ligt aldaar begraven op het Cimetière du Père-Lachaise. Hoewel Pottier veel strijdliederen op zijn naam heeft staan, is hij het meest bekend geworden als de tekstdichter van de oorspronkelijke versie van de Internationale. Die schreef hij in juni 1871, vlak na het einde van de Commune.
Elle n’est pas morte is in 1886 op muziek gezet door de Franse componist Victor Parizot (1819-1866). Pottier heeft deze nooit ontmoet en evenmin diens toonzetting van zijn strijdlied ooit gehoord.
Het strijdlied
ELLE N’EST PAS MORTE
Aux Survivants de la semaine sanglante.
On l’a tuée à coups d’chassepot,
À coups de mitrailleuse,
Et roulée avec son drapeau
Dans la terre argileuse.
Et la tourbe des bourreaux gras
Se croyait la plus forte.
Tout ça n’empêch’pas,
Nicolas,
Qu’la Commune n’est pas morte!
Comme faucheurs rasant un pré,
Comme on abat des pommes,
Les Versaillais ont massacré
Pour le moins cent mille hommes.
Et ces cent mille assassinats
Voyez c’que ça rapporte.
Tout ça n’empêch’pas,
Nicolas,
Qu’la Commune n’est pas morte!
On a bien fusillé Varlin,
Flourens, Duval, Millière,
Ferré, Rigault, Tony Moilin,
Gavé le cimetière.
On croyait lui couper les bras
Et lui vider l’aorte.
Tout ça n’empêch’pas,
Nicolas,
Qu’la Commune n’est pas morte!
Ils ont fait acte de bandits,
Comptant sur le silence,
Ach’vé les blessés dans leurs lits,
Dans leurs lits d’ambulance.
Et le sang, inondant les draps,
Ruisselait sous la porte.
Tout ça n’empêch’pas,
Nicolas,
Qu’la Commune n’est pas morte!
Les journalistes policiers,
Marchands de calomnies,
Ont répandu sur nos charniers
Leurs flots d’ignominies.
Les Maxim’Ducamp, les Dumas,
Ont vomi leur eau-forte.
Tout ça n’empêch’pas,
Nicolas,
Qu’la Commune n’est pas morte!
C’est la hache de Damoclès,
Qui plane sur leurs têtes.
À l’enterrement de Vallès *
Ils en étaient tout bêtes.
Fait est qu’on était un fier tas
À lui servir d’escorte!
C’qui vous prouve en tout cas,
Nicolas,
Qu’la Commune n’est pas morte!
Bref, tout ça prouve aux combattants
Qu’Marianne a la peau brune,
Du chien dans l’ventre et qu’il est temps
D’crier: vive la Commune!
Et ça prouve à tous les Judas
Qu’si ça marche de la sorte,
Ils sentiront dans peu,
Nom de Dieu!
Qu’la Commune n’est pas morte!
Eugène Pottier, Paris, Mai 1886
* In 1871 nam de journalist Jules Vallès actief deel aan de Commune van Parijs, waarin hij gekozen werd als lid. Na het neerslaan van de commune werd hij ter dood veroordeeld, ontsnapte uit gevangenschap en leefde daarna als banneling in Londen. Na algehele amnestie van 1880 keerde hij terug naar Parijs en wijdde zich aan het schrijven van romans. Hij overleed in 1884. Zijn begrafenis was een grote publieke gebeurtenis, een stoet van 60.000 personen volgde de doodskist naar de begraafplaats Père Lachaise.
Versificatie
Het lied bestaat uit zeven coupletten van elk negen regels met gekruist rijm (abab) voor de eerste vier regels en omarmend rijm (deed) voor de laatste vier, terwijl de vijfde regel met de zevende en negende regel weer kruislings rijm vormt. De laatste drie regels van elk couplet vormen een refrein. Wat het metrum betreft, het aantal jamben of versvoeten (altijd bestaande uit een opeenvolging van een onbeklemde en beklemde lettergreep) varieert van vier naar drie per regel, respectievelijk dus acht of zes lettergrepen tellend. Met dien verstande dat als de laatste lettergreep van een regel met zes versvoeten onbeklemd is, deze niet meetelt. Anders gezegd alle regels met mannelijk of staand rijm, dus met een beklemtoonde laatste lettergreep, tellen acht lettergrepen (de oneven regels), terwijl de regels eindigend met vrouwelijk of slepend rijm (de even regels), waarbij de laatste lettergreep onbeklemd is, zeven lettergrepen tellen.
Wanneer het refrein als een bindend element tussen de afzonderlijke coupletten gezien kan worden, kan het stijlmiddel van het aanspreken van een luisterend persoon, Nicolas, gelden als een extra expressie van de woede en aanklacht jegens een meedogenloos regiem.
Verwijzingen
- Merwe, Jaap van de,"Gij zijt kanalje, heeft men ons verweten!", 1e druk p.349, 350 en 379, Utrecht/Amsterdam, 1974 E
Bronnen
- Rost, Nico, "Eugène Pottier, arbeider, dichter en communard" in De Nieuwe Stem, jaargang 22, p. 345 e.v., 1967
- "Eugène Pottier. De 25ste verjaardag van zijn overlijden" (Lenin-archief -Nederlandstalig Marxistisch Internet-Archief).
- Benoît Bréville et Dominique Vidal (August 2011) "Tout ça n’empêche pas, Nicolas…” Le Monde Diplomatique.