El Khiam

El Khiam
El Khiam
El Khiam (Palestina)
El Khiam
Situering
Land Vlag van Palestina Palestina
Locatie Westelijke Jordaanoever
Coördinaten 31° 38 NB, 35° 15 OL
Portaal  Portaalicoon   Archeologie

El Khiam (Arabisch: الخيام) is een archeologische vindplaats in de woestijn van Judea op de Westelijke Jordaanoever in Palestina, ongeveer 25 km km ten zuidwesten van Jericho en 10 km ten zuidoosten van Bethlehem. Het ligt op een kalksteenterras van de Wadi Khureitun. De stratigrafische opeenvolging loopt van het Aurignacien tot de kopertijd. Het is de typesite voor het Khiamien, de overgang van het Natufian naar het Sultanian (prekeramisch neolithicum A) in de zuidelijke Levant tussen 9750 en 9550 v.Chr., na het einde van de Jonge Dryas.

De vindplaats gaf zijn naam aan de Khiam-punten uit de prekeramisch neolithische periode: dubbel gekerfde pijlpunten met een direct of omgekeerd concaaf geretoucheerde basis. Ze worden overal in de Levant gevonden, maar ook in zuidoost-Turkije (Nemrik, Qermez Dere). Bij El Khiam komen ze voor in laag 4.

Opgravingen

In 1933 maakte de Franse diplomaat René Neuville hier een proefsleuf en identificeerde twee nederzettingsfasen, laag A (Tahunian I) en B (Tahunian II) (van boven naar beneden). Wegens ziekte was hij echter niet aanwezig bij de eropvolgende opgraving. De opgraving vond plaats in lagen parallel aan het oppervlak die één spade diep waren. Het oppervlak loopt echter sterk af richting de wadi.

Jean Perron bezocht de locatie in 1949 op uitnodiging van Neuville. Hij reinigde en bestudeerde het bewaarde profiel van de testsectie. Perron identificeerde de diepere laag B tot het Natufian, terwijl A3 tot het Tahunian I en A2 tot Tahunian II zou behoren. Laag A1 behoorde tot het Ghassulian van de kopertijd. Laag A2 bevatte onder andere Amuq- en Byblos-punten, maar ook gepolijste stenen bijlen en aardewerk, laag A3 Helwan-punten, Jericho-punten en geometrische microlieten. Joaquín Gonzalez-Echegaray groef in 1962 een gebied van 36 m² op, maar niet overal tot aan de natuurlijke bodem. De opgraver dateerde de vondstlagen als Proto-Tahunian en Tahunian.

De opgraver verdeelde de vondsten in drie lagen. Deze indeling werd echter al snel bekritiseerd, en ook de bouw van schuilplaatsen leidde tot vermenging van vondsten.

Vondsten

Het merendeel van de vondsten bestond uit vuursteen. Een obsidiaanblad met onduidelijke stratigrafie (Perrot-collectie/onderzoek, mogelijk laag A) was waarschijnlijk gemaakt van Anatolisch obsidiaan. Kalksteenbeeldjes lijken op die van Nahal Oren, Netiv Hagdud, Mureybet en Gilgal.

Economie

Dierlijke botten waren over het algemeen zeldzaam. Geiten en steenbokken waren de meest voorkomende diersoorten (90 % van identificeerbare botten), gevolgd door berggazelle (7 %). Ezels, wilde zwijnen en wilde runderen waren zeldzaam. Vanwege de kleine gemiddelde grootte van de capriden (geitachtige dieren) en het grote aantal foetussen, suggereerde Ducos dat het, net als de gazellen, voornamelijk vrouwtjes waren, vermoedelijk gejaagd in de late winter of het vroege voorjaar. In laag 3 werden minder foetussen gevonden, wat kan duiden op een verandering in de tijd van de jacht. De prekeramisch neolithische nederzetting was daarom waarschijnlijk een jachtkamp dat alleen in de late winter/vroege lente werd bezocht.

Datering

Laag Ib (gebied IIb) leverde een C14-datering op van 2990±250 BP ongekalibreerd.