Edward Burne-Jones

Edward Burne-Jones
Edward Coley Burne-Jones
Edward Burne-Jones
Algemene informatie
Adellijke titel Sir
Geboortedatum 28 augustus 1833Bewerken op Wikidata
Geboorteplaats Birmingham
Overlijdensdatum 17 juni 1898Bewerken op Wikidata
Overlijdensplaats Londen
Werk
Beroep kunstschilder,[1][2][3] tekenaar,[1][3] ontwerper,[2][3] illustrator,[2][3] bouwkundig tekenaar,[2] beeldend kunstenaar,[4] kunstenaar,[5] aquarellist,[6] pastellist,[6] penschilder[6]Bewerken op Wikidata
Werkveld schilderkunst, Prerafaëlieten
Werkplaats Birmingham, Londen
Bekende werken The Beguiling of Merlin, Hope, The Golden Stairs, Koning Cophetua en het bedelmeisje
Studie
School/universiteit Exeter College, King Edward's School, Heatherley School of Fine Art
Kunst
Genre historieschilderkunst, religieus schilderij, genrestuk, mythologisch schilderij, portret
Stroming Prerafaëlieten, symbolisme
Beïnvloed door Dante Rossetti
Militair
Legeronderdeel British Army
Familie
Echtgenoot Georgiana Burne-Jones
Partner(s) Maria Zambaco
Vader Edward Richard Jones
Moeder Elizabeth Coley
Kinderen Margaret Mackail, Philip Burne-Jones, Christopher Burne-Jones
Broers en zussen Edith Jones
Persoonlijk
Etniciteit Britten
Talen Engels
Schrijftaal Engels
Diversen
Lid van Royal Academy of Arts
Archieflocatie(s) Nationale Bibliotheek van Wales[7]Bewerken op Wikidata
De informatie in deze infobox is afkomstig van Wikidata.
U kunt die informatie bewerken.

Sir Edward Coley Burne-Jones[8], (Birmingham, 28 augustus 1833Fulham, 17 juni 1898) was een Engels kunstenaar en ontwerper die een van de leidende figuren was van de tweede generatie van de prerafaëlieten en stichtend lid was van de Pre-Raphaelite Brotherhood.

Levensloop

Burne-Jones was geboren als zoon van een lijstenmaker in Bennetts Hill. Zijn moeder stierf zes dagen na zijn geboorte en hij werd opgevoed door zijn vader. Hij bezocht vanaf zijn twaalfde King Edward's Free School in Birmingham en vanaf zijn vijftiende ook de Government School of Design. Onder invloed van de Oxford Movement besloot hij in 1853 theologie te studeren aan het Exeter College van de Universiteit van Oxford. Hij zag in deze beweging, die de Anglicaanse Kerk dichter bij haar middeleeuwse, katholieke roots wilde brengen, een bevestiging van zijn eigen afwijzen van de moderniteit. Hij raakte echter al snel ontgoocheld. De Oxford Movement was doodgebloed en in Exeter College heerste opnieuw een meer traditionele benadering van het anglicanisme.

The Beguiling of Merlin, 1874

Burne-Jones raakte in een depressie tot hij de geschriften van Thomas Carlyle en John Ruskin leerde kennen. Hij zag voor zichzelf een nieuwe rol van kunstenaar als een soort seculier priesterschap. In Oxford raakte hij bevriend met William Morris, die dezelfde ideeën deelde. Aanvankelijk onderging Burne-Jones sterke invloed van Dante Gabriel Rossetti, William Morris en de schilders van de Florentijnse vroegrenaissance. Kort na zijn eerste ontmoeting met Rossetti begin 1856 verliet Burne-Jones Oxford en vestigde zich in Londen als kunstenaar. Na een reis door Italië werd Botticelli zijn grote voorbeeld. In 1867 gingen Burne-Jones en zijn vrouw in Fulham, Londen wonen.

In 1864 werd hij associate van de Old Water-Colour Society. In 1870 zorgde een tentoonstelling bij dit genootschap voor een rel. Zijn Phyllis and Demophoön kreeg scherpe kritiek vanwege de voorstelling van mannelijk naakt. Burne-Jones weigerde zijn werk tijdelijk te retoucheren en het schilderij werd vervolgens prompt van de muur gehaald. Na het einde van de tentoonstelling zegde hij zijn lidmaatschap op. Ongeveer tegelijk kwam het tot een breuk met zijn minnares, het model Maria Zambaco. In 1867 was hij met haar een relatie begonnen en hun stormachtige relatie had de kunstenaar enkele keren in verlegenheid gebracht. Gevolg van deze gebeurtenissen was dat Burne-Jones zich gedurende zeven jaar terugtrok uit het openbare leven en niet meer tentoonstelde. Gedurende deze periode bracht hij nieuwe bezoeken aan Italië (1871 en 1873). Hij besloot zich verder te bekwamen in het tekenen en schilderen. Hij schetste naar het voorbeeld van de kunstenaars van de Italiaanse Renaissance en bekwaamde zich verder in het werken met olieverf. Deze teruggetrokken periode leidde tot een grote productiviteit en Burne-Jones nam assistenten in dienst.

Sidonia von Bork, 1560, 1860

Pas in 1877 stelde Burne-Jones opnieuw werk tentoon. Dit was bij de opening van de Grosvenor Gallery waar zijn werk hing naast dat van andere schilders als Whistler, Watts, Alma-Tadema en Leighton. Met de acht tentoongestelde schilderijen als The Beguiling of Merlin oogste Burne-Jones positieve kritiek en was zijn naam definitief gevestigd. In 1882 liet hij een speciale studio bouwen. Hij stelde nog meermaals werk tentoon in de Grosvenor Gallery en de opvolger hiervan, de New Gallery. In 1889 werd er ook werk van hem te zien op de Wereldtentoonstelling van Parijs.

Burne-Jones kreeg verschillende eerbewijzen. In 1881 werd hij doctor honoris causa aan de universiteit van Oxford, hij werd opgenomen in het Franse Legioen van Eer (1889) en werd in de adelstand verheven als baronet (1894). Hij werd in 1886 opnieuw opgenomen als associate van de Old Water-Colour Society en tussen 1885 en 1893 was hij associate van de Royal Academy of Arts.

Werk

In zijn kunstloopbaan had hij diverse disciplines, zoals schilderijen, het ontwerpen van keramische kunst, tapijten, glas-in-lood, juwelen, theaterkostuums en boekillustraties.

Hij was voornamelijk autodidact en begon zijn carrière als boekillustrator. In 1854 begon hij met de illustraties voor Fairy Family. Hij werkte met William Morris voor The Kelmscott Press. Een van de bekendste en waarschijnlijk mooiste boeken van The Kelmscott Press is hun versie van The Works of Geoffrey Chaucer, geïllustreerd door Edward Burne-Jones (1896).

In 1857 experimenteerde hij voor het eerst met olieverf, maar zijn eerste schilderijen voerde hij uit in waterverf. Pas vanaf de jaren 1870 begon hij echt te werken met olieverf. Dit liet hem ook toe te werken op een groter formaat dan voor zijn waterverfschilderijen. Hij had een speciale techniek waarbij hij werkte met pure pigmenten met gebruik van zo weinig mogelijk olie.

Hij schiep zoals de meeste prerafaëlieten zeer gekunstelde werken, waarvan hij de motieven aan de Keltische legende ontleende, bijvoorbeeld Koning Cophetua en het bedelmeisje. Burne-Jones schiep een vrouwelijk type dat kenmerkend voor zijn werk is. Het is geïnspireerd op figuren uit Renaissanceschilderijen. Deze zachtaardige, bleke en etherische meisjes verschijnen in tal van zijn werken, die zowel over de Griekse mythologie als over Keltische legenden gaan.

Burne-Jones kreeg de kritiek dat zijn schilderijen vlak oogden, zonder dieptewerking. Hij pareerde deze kritiek met de stelling dat hij niet geïnteresseerd was in een realistische weergave van de werkelijkheid en zijn schilderijen zag als versierde oppervlakken (decorated surfaces).

Privéleven

In 1860 trouwde Burne-Jones met Georgiana MacDonald (1840–1920) na een verloving van vier jaar. Georgiana was de dochter van een methodistische predikant en had ook een artistieke opleiding gevolgd. Het echtpaar kreeg drie kinderen: Philip (1861), Christopher (1864 en overleden na enkele weken) en Margaret (1866). Het echtpaar kocht in 1880 Prospect House in Rottingdean, nabij Brighton in Sussex en gebruikte dat als vakantieverblijf.

Burne-Jones was de grootvader van schrijfster Angela Thirkell. Thirkell publiceerde in 1931 onder de titel Three Houses herinneringen uit haar kindertijd en in het bijzonder over Burne-Jones.

Literatuur

  • Christopher Wood: Burne-Jones, Paperback; met 80 kleur Illustraties, 160 pagina's, Juni 1999, Orion Publishing Co.

Bron

  • David Peters Corbett, Edward Burne-Jones, British Artists, Tate Publishing, 2004
Zie de categorie Edward Burne-Jones van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.