Edmund van Abingdon

Edmund van Abingdon

Edmund van Abingdon (ook bekend als Edmund Rich, Abingdon, circa 1175 - Soisy, 16 november 1240) was een Engels theoloog, filosoof en prelaat. Hij was van 1233 tot zijn dood aartsbisschop van Canterbury. Hij werd in 1246 heiligverklaard.

Levensloop

Glasraam in de Saint-Quiracekerk van Provins dat het leven van Edmund van Abingdon verbeeldt, van onder naar boven:
zijn roeping tot het priesterschap,
zijn conflict met de koning als aartsbisschop,
zijn ballingschap in Frankrijk onder bescherming van Lodewijk IX van Frankrijk en diens moeder Blanche van Castilië,
zijn dood.

Zijn juiste geboortedatum is niet bekend, mogelijk was dit op 20 november, de naamdag van de heilige Edmund de Martelaar. Zijn vader Reynold was een handelaar en hij had minstens vier broers of zussen die allen kozen voor een religieus leven.

Intellectueel

Hij genoot zijn opleiding in Oxford en in Parijs, die in de twaalfde en dertiende eeuw belangrijke kenniscentra waren. Na een eerste opleiding in Oxford trok Edmund rond 1190 naar Parijs. Hij studeerde er filosofie en theologie, de artes liberales. Rond 1195 was hij terug in Oxford, waar hij enkele jaren les gaf. Naar verluidt introduceerde hij daar de filosofische geschriften van Aristoteles. Rond 1200 was hij weer in Parijs om zich te verdiepen in de theologie. Engelse studiegenoten daar waren Stephen Langton en Richard Poore. Na zijn terugkeer uit Parijs gaf hij opnieuw les in Oxford. Een onderbreking vormt de periode 1213-1214, toen hij verbleef in de priorij van Merton.

In 1222 werd Edmund kanunnik van de kathedraal van Salisbury. Zijn studiegenoot Richard Poore was daar benoemd tot bisschop en hij benoemde zijn vriend tot schatbewaarder van het kathedraal kapittel. Zodoende stond hij in voor het opvolgen van de bouw van de kathedraal. Daarnaast had hij ook de pastorale zorg voor de parochie Calne. Door zijn redenaarstalent werd hij door paus Gregorius IX aangesteld om te preken voor de Zesde Kruistocht.

Aartsbisschop

Voor de opvolging voor het ambt van aartsbisschop van Canterbury droeg paus Gregorius IX vervolgens ook Edmund naar voor. Op 20 september 1233 werd hij verkozen naar het kapittel van de kathedraal van Canterbury en op 10 oktober werd zijn aanstelling bevestigd door koning Hendrik III van Engeland. Op 2 april 1234 werd hij tot bisschop gewijd. Als aartsbisschop en primaat van Engeland botste Edmund al snel met de koning. Hij verdedigde niet enkel de kerkelijke privileges maar had ook kritiek op de politiek van Hendrik III in Frankrijk. De Engelse baronnen kozen uiteindelijk de kant van Edmund. Onder bedreiging van excommunicatie werd Hendrik gedwongen de Franse verwanten en hun aanhangers weg te sturen van het Engelse hof. Zij stuurden aan op een Engelse interventie in Frankrijk. Ook moest Hendrik beloven dat hij de Engelse wetten en gebruiken zou respecteren en de Engelse adel zou betrekken bij zijn beleid.

Als reactie steunde Hendrik de monniken van de abdij van Canterbury in hun geschillen met Edmund. Hij vroeg ook aan de paus om een legaat naar Engeland te sturen. Kardinaal Otto van Tonengo kwam in 1237 aan in Engeland en zijn aanwezigheid verzwakte de positie van Edmund tegenover de koning. Edmund ging over tot een algemene excommunicatie van iedereen die zijn prerogatieven als primaat van Engeland wilde inperken. Hij vertrok naar Rome om daar zijn zaak te bepleiten.[1] Tijdens zijn reis naar Rome verbleef hij gedurende een maand in de cisterciënzer abdij van Pontigny. Deze abdij had al eerder als toevluchtoord gediend voor Engelse primaten die overhoop lagen met de koning. Zowel aartsbisschop Thomas Becket (tussen 1164 en 1166) als aartsbisschop Stephen Langton (tussen 1209 en 1213) hadden er zo verbleven. Edmund was trouwens bekend met de abdij van Pontigny. Hij had al in 1238 een schenking aan de abdij gedaan en had er waarschijnlijk omstreeks die tijd ook al verbleven.

Dood en begrafenis

Hij werd er ziek en besliste om terug te reizen na Engeland. Na drie dagen overleed hij echter onderweg in de priorij van Soisy.

In tegenstelling tot wat men zou verwachten werd zijn lichaam niet teruggebracht naar Engeland om te worden begraven in de kathedraal van Canterbury. Via Provins, waar zijn hart en zijn ingewanden werden begraven in de abdijkerk Saint-Jacques, werd zijn gebalsemde lichaam naar de abdij van Pontigny gevoerd. Volgens zijn laatste wilsbeschikking zou Edmund willen begraven worden in Pontigny. Dit stond niet op papier, maar zijn kapelaan en zijn oud-kanselier bevestigden deze beschikking. Het lichaam kwam aan in Pontigny op 20 november en werd er 's anderendaags begraven nabij het hoofdaltaar van de abdijkerk.[2]

Geschriften

Edmund stond bekend als een virtuoos scholastisch filosoof en zijn geschriften beïnvloedden latere schrijvers. Bekendst is zijn theologisch werk Speculum ecclesiae.[1]

Heiligverklaring

Standbeeld in de Saint-Jean-Baptistekerk in Chaource

Door zijn ascetische levenswandel en verschillende mirakels die al kort na zijn dood aan hem werden toegeschreven, kwam er al snel de vraag om Edmund van Abingdon heilig te verklaren. Dit proces zou echter zes jaar aanslepen. Dit was te wijten aan de dood van twee pausen, maar vooral ook door de oppositie van zijn tegenstanders in Engeland.

Al in december 1240 richtte Gui de Villenauxe, de abt van de Saint-Jacquesabdij in Provins een brief aan de paus en aan het aartsbisdom Canterbury waarin hij berichtte over de mirakels die zouden hebben plaatsgevonden vlak na het overlijden van Edmund. Er volgden nog brieven van Franse en Engelse prelaten waarin mirakels werden beschreven en werd gevraagd om zijn heiligverklaring. Drijvende kracht achter de roep om heiligverklaring was de orde van de cisterciënzers. Edmund was begraven in een van hun abdijen en de aanwezigheid van de relieken van een heilige zou grote invloed hebben op de uitstraling van de abdij van Pontigny en ook voor extra giften zorgen.

Als reactie stelde paus Innocentius IV op 23 april 1244 een commissie aan om getuigenissen over de deugden van Edmund van Abingdon en de aan hem toegeschreven mirakels te verzamelen. Het ging in feite om twee commissies. Franse commissie werd geleid door Albert Suerbeer, aartsbisschop van Armagh, bijgestaan door Adam de Chambly, bisschop van Senlis, en Luc de Laon, deken van de kathedraal van Parijs. Deze commissie was tussen 17 en 21 juli 1244 in Pontigny. De verklaringen van meer dan 120 getuigen werden vastgelegd door een notaris. De Engelse commissie bestond uit de bisschop van Londen, Fulco, en de bisschop van Lincoln, Robert Grosseteste.

De paus oordeelde dat de verzamelde getuigenissen, voor de Franse commissie ging het om een boekrol van 2,5 meter lang waarin vijftig mirakels werden beschreven, onvoldoende waren. Hierin speelde de tegenstand van de Engelse koning en de nieuwe aartsbisschop van Canterbury tegen een heiligverklaring zeker een rol. De paus besliste dat een tweede onderzoek nodig was. De beide commissies kregen de opdracht de mirakels verder te onderzoeken waarvoor er verschillende betrouwbare getuigen waren. De nieuwe commissies (met aan Engelse kant onder meer Richard de Wych, bisschop van Chichester, en Robert Bacon, regent van de universiteit van Oxford, en aan Franse kant Albert Suerbeer, ondanks een ziekte, en de deken van de Saint-Marienkerk in Auxerre) bezorgden al in het voorjaar van 1245 hun verslagen aan de paus.

De paus stelde tijdens het concilie van Lyon (juni-juli 1245) een commissie van zeven wijzen samen om te oordelen over de verzamelde getuigenverklaringen. Ook nu kwam er geen beslissing door de bezwaren geuit door de Engelse koning en het aartsbisdom Canterbury. Er werd een derde commissie aangesteld, bestaande uit twee curiekardinalen, om getuigen persoonlijk te ondervragen. Dit waren Hugo van Saint-Cher en Jan van Toledo. Die laatste was een voormalig cisterciënzer abt en was de zaak van de heiligverklaring dus genegen. In Engeland had de commissie alle moeilijkheden van de wereld om getuigen te spreken te krijgen, ook al werden hun reiskosten vergoed. Blijkbaar waren ze afgeschrikt om te getuigen voor de commissie.

Op basis van de verklaring van de drie commissies besliste paus Innocentius IV eindelijk om Edmund van Abingdon heilig te verklaren. Zijn naam werd op 16 december 1246 ingeschreven op de lijst van heiligen.[2]

Verering

De kerkelijke feestdag van de heilige Edmund is op 16 en 20 november, zijn geboorte- en sterfdatum. Hij is de patroon van het bisdom Portsmouth en wordt vereerd in verschillende plaatsen in het Franse departement Yonne, waar Pontigny gelegen is.

De heilige Edmund wordt aanroepen tegen verschillende ziekten (eertijds ook de pest) en tegen zuigelingensterfte. In de iconografie wordt hij afgebeeld als bisschop, soms met een pasgeboren kind aan de voeten.[2] Gebruikelijke voorstellingen zijn ook de heilige Edmund die een ring aan Maria geeft, of aan wie Maria met Kind verschijnt.[3]

Relieken

Altaar met reliekschrijn in de kerk van Pontigny

Al snel na de dood van Edmund besliste de abt van Pontigny om een reliekschrijn te laten maken om het lichaam in te bewaren. Het ging om een schrijn uit goud en zilver versierd met kostbare stenen. Het schrijn was voorzien van openingen waardoor de gelovigen het lichaam van de heilige konden zien en ook aanraken. In 1249 werden de stoffelijke resten van de heilige overgebracht naar zijn nieuwe rustplaats. Deze plechtigheid gebeurde in aanwezigheid van koningin-moeder Blanche van Castilië. Het afwerken van het kostbare schrijn duurde nog verschillende jaren. Het werd mogelijk gemaakt door de talrijke giften die de aanwezigheid van de relieken van de heilige aantrok. Zelfs koning Hendrik III van Engeland voorzag een jaargeld om kaarsen te branden bij het graf. Al die pracht en praal zorgde voor controverse binnen de cisterciënzerorde die stond voor armoede. Dit leidde uiteindelijk tot afzetting van de abt in 1247.

De relieken trokken giften en talrijke bedevaarders aan. Er werd een speciale toelating verleend aan vrouwelijke bedevaarders om de abdijkerk te mogen betreden. Aan de schenkers en aan de bedevaarders werden aflaten verleend.

Het reliekschrijn overleefde de troebelen niet die de abdij van Pontigny kende. In 1360 werd de abdij bezet en geplunderd door een Engels leger en in 1568 door protestantse troepen. De monniken konden de relieken van de heilige wel in veiligheid brengen. Het herstel van de abdij vorderde langzaam. Pas halfweg de achttiende eeuw kwam er een nieuw monument voor de heilige Edmund (Saint-Edme in het Frans) in de abdijkerk. Het reliekschrijn uit verguld hout (1749) werd geplaatst op een altaarmonument met engelen, pilaren en gebeeldhouwde draperieën. Ook dit nieuwe schrijn bevatte openingen om het lichaam van de heilige te kunnen aanschouwen.[2]

Bronnen

  1. 1 2 (en) St. Edmund of Abingdon: archbishop of Canterbury. britannica.com. Geraadpleegd op 24 oktober 2025.
  2. 1 2 3 4 (fr) D'Edmond d'Abingdon à saint Edme : l'invention d'un culte. Archives départementales de l'Yonne (2013). Geraadpleegd op 24 oktober 2025.
  3. Van den Akker, Dries, Edmund Rich van Abingdon. heiligen.net. Geraadpleegd op 25 oktober 2025.