Offsetplaat

Als offsetplaat of drukplaat worden in de offsetdruk aluminium- of polyesterplaten gebruikt met een dikte van minder dan ongeveer een halve mm (meestal 0,15 tot 0,4 mm). Een plaat wordt, na voorzien te zijn van het drukbeeld, in de drukpers om een cilinder gespannen. Bij moderne drukpersen gebeurd dat automatisch.
De plaat is voorzien van een heel fijn geruwd oppervlak om het water-aantrekkende vermogen te verbeteren. In de begintijd van de offsetplaat werd dit oppervlak bereikt door de plaat in een zogenaamde knikkerbak te leggen waar een groot aantal porseleinen knikkers met een hoeveelheid polijstpasta in een schuddende beweging werd gebracht. Hierdoor werd het oppervlak van de plaat heel fijn geruwd. Later werden industriƫle methoden, zoals anodiseren, gebruikt om de plaatoppervlakte te bewerken.
Na de oppervlaktebehandeling wordt de plaat voorzien van een fotografisch gevoelige laag. Door een juiste belichting verharden de drukkende delen waarna de niet-drukkende delen er afgewassen worden. De plaat is dan in principe gebruiksklaar voor de offsetpers. Er bestaan positief werkende offsetplaten, waar het onbelichte gedeelte later het drukbeeld vormt, en negatief werkende, waar juist de belichte gedeelten het drukbeeld vormen. De laatste worden niet veel meer gebruikt. Er voor in de plaats kwamen digitale platen, waarbij het beeld vanuit de computer rechtstreeks op de plaat wordt geschreven.