De kleine kapitein (boek)

De kleine kapitein
Auteur(s) Paul Biegel
Illustrator Carl Hollander
Land Vlag van Nederland Nederland
Taal Nederlands
Reeks/serie De kleine kapitein
Genre jeugdliteratuur, avonturenroman, imaginair reisverhaal, fantasy
Uitgever Uitgeverij Holland, Haarlem
Uitgegeven 1970
Medium Boek
Pagina's 127
ISBN 90-251-0184-4
Voorloper -
Vervolg De kleine kapitein in het land van Waan en Wijs
Vorige boek De zeven fabels uit Ubim
Volgende boek De twaalf rovers
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De kleine kapitein is een Nederlandstalige jeugdroman, geschreven door Paul Biegel en uitgegeven in 1970 bij Uitgeverij Holland in Haarlem. Het is geschreven voor kinderen vanaf 6 jaar. De eerste editie werd geïllustreerd door Carl Hollander. Het werk werd in 1972 bekroond met een Gouden Griffel, de hoogste prijs binnen de Nederlandse jeugdliteratuur.

Het verhaal verscheen eerder van 2 augustus 1969 tot 27 september 1971 als feuilleton in het weekblad Donald Duck, nadat toenmalig hoofdredactrice Hetty Hagebeuk aan Biegel en Hollander daarom had gevraagd.

Volgens Biegel was het idee van de kleine kapitein ontstaan nadat "[Hollander] zin had om bootjes te tekenen."

Er kwamen twee vervolgen, De kleine kapitein in het land van Waan en Wijs en De kleine kapitein en de schat van Schrik en Vreze. Deze vormen samen met dit eerste deel een trilogie.

Inhoud

De kleine kapitein is een veelgebruikte naam geworden voor allerlei aan kinderen gerelateerde zaken en instellingen. Deze basisschool in Amsterdam heet De kleine kapitein.

Een naamloze jongen van een jaar of tien is op het strand bezig een schip in elkaar te zetten van onder meer een potkachel, een badkuip, een stoelpoot, zes emmers en een fietsketting. Als anderen hem vragen wat hij precies van plan is en waar hij naartoe wil varen, zegt de jongen dat hij de kleine kapitein is. Zijn bestemming is het "eiland van Groot en Groei"; wie daar weet te komen, zal in één nacht opgroeien tot volwassene. De kinderen in het dorp geloven dit en ze willen heel graag met de kleine kapitein meevaren als het schip af is. Ze worden echter streng teruggeroepen door hun ouders en de onderwijzer, die hun verbieden dit soort verhaaltjes te geloven.

Op een nacht tilt een golf het schip, de Nooitlek genaamd, de zee in. Drie kinderen hebben alsnog aan boord weten te komen: Dikke Druif, Marinka en een heel bange jongen, door iedereen Bange Toontje genoemd. Samen met hen begint de kleine kapitein aan zijn reis. De scheepstaken worden verdeeld; Bange Toontje moet het dek zwabberen, Marinka zorgt voor het eten en Dikke Druif is de kolenstoker.

Tijdens de zeereis hebben ze een aantal ontmoetingen met vreemde wezens. Ook moeten ze meerdere gevaarlijke obstakels zien te overwinnen. Als ze het eiland van Groot en Groei bereiken, blijkt dat wie hier komt alleen maar lichamelijk steeds langer wordt, niet geestelijk volwassen. Ze ontmoeten er een schipbreukeling genaamd Gijs, die al zo lang op het eiland is dat hij een enorme reus is geworden. Hij heeft geen idee waar zijn scheepsmakkers zijn en denkt dat ze allemaal zijn verdronken. Nadat ze verder zijn doorgereisd hebben ze allemaal al snel hun normale lengte weer terug. Gijs reist met hen mee, vanwege zijn lengte op een vlot dat achter het schip is vastgemaakt met een touw.

Ze komen op diverse andere vreemde plekken terecht. Op een ander eiland ontmoeten ze Driekus, een schipbreukeling die op hetzelfde schip zat als Gijs. De twee herkennen elkaar. Ze treffen hier ook een aantal ontsnapte circusdieren aan, afkomstig van een op het eiland gestrande circusboot, die ze besluiten los te laten in de vrije natuur. Ze weten tijdens een vulkaanuitbarsting op het nippertje aan de dood te ontsnappen. Uiteindelijk arriveren ze in een volledig grauwe stad midden op zee, De Spookstad. De baas van deze stad wordt de Norse Heerser genoemd. Hij heeft alle kleur in het openbare leven verboden, uit bitterheid omdat hij zijn geliefde, Galatea, die hij enkel van een afbeelding kent, nog steeds niet heeft gevonden. Hij neemt de kinderen gevangen, maar ze weten met een list te ontsnappen: Toontje, Dikke Druif en Marinka gaan op elkaar staan en ze hullen zich in een mantel die op die van Galatea lijkt. Tijdens een danspartij gaat het mis. De heerser toont zich vergevingsgezind en besluit hen toch vrij te laten, er wordt hem beloofd dat de echte Galatea binnenkort bij hem zal zijn. De stad is hierna geen kleurloze plek meer, de heerser laat alle kleuren weer toe. Hier vinden ze ook nog Van Dommelen, een van de andere schipbreukelingen. Ze blijken dus voor een deel nog in leven.

De kleine kapitein reist weer verder samen met de anderen, in de hoop nog meer van Gijs' vroegere scheepsmaten terug te vinden.

Verwijzingen naar mythen

"De kleine kapitein" verwijst in meerdere hoofdstukken naar Griekse mythen en sagen. Zo vaart het schip de Nooitlek langs een stel rotsen die overdag in levende draken veranderen. Deze zijn gemodelleerd naar de Symplegaden uit de mythe van de Argonauten. In hetzelfde deel komt de mythe van Pygmalion en Galatea voorbij, waarbij de zogenaamde "Norse Heerser" een denkbeeldige vrouw aanbidt die Galatea heet, net zoals Pygmalion zijn standbeeld dat ook Galatea heet.