De donkere kamer van Damokles
| De donkere kamer van Damokles | ||||
|---|---|---|---|---|
| Auteur(s) | Willem Frederik Hermans | |||
| Kaftontwerper | Helmut Salden | |||
| Land | Nederland | |||
| Taal | Nederlands | |||
| Genre | oorlogsroman, psychologische roman | |||
| Uitgever | G.A. van Oorschot, Amsterdam | |||
| Uitgegeven | november 1958 | |||
| Pagina's | 404 | |||
| Verfilming | Als twee druppels water (1963) | |||
| ||||
De donkere kamer van Damokles is de vijfde roman van de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans en diens tweede oorlogsroman, gepubliceerd in november 1958.[1] Met deze roman verwierf de auteur voor het eerst veel nationale erkenning.
Het hoofdpersonage is de jonge Voorschotense sigarenwinkelier Henri Osewoudt. Na de Duitse inval in 1940 raakt hij via Dorbeck, een luitenant en later een verzetsman, betrokken bij diverse verzetsactiviteiten. Na de bevrijding wordt Osewoudt onverwacht door iedereen beschuldigd van collaboratie. Hij kan zichzelf alleen vrijpleiten als hij weet aan te tonen dat de inmiddels totaal onvindbare Dorbeck geen verzinsel is.
Samenvatting
Henri Osewoudt, geboren op 23 april 1920, heeft de puberteit lichamelijk niet doorgemaakt: hij heeft daardoor nog steeds een hoge kinderstem en hoeft zich nooit te scheren. Henri's onderwijzer op de school in Voorschoten vertelt op een dag in de klas een absurdistisch verhaal. Henri's moeder, die lijdt aan psychopathologische voorstellingen, vermoordt op een dag Henri's vader in diens sigarenwinkel. De dan twaalfjarige Henri wordt vervolgens ondergebracht bij zijn oom Bart Nauta, tante Fietje en hun negentienjarige dochter Ria in Amsterdam. Ria neemt Henri de eerste nacht al bij zich in bed.
Vanwege zijn lichamelijke afwijkingen wordt Henri veel gepest op de Amsterdamse HBS. Hij besluit om op judo te gaan, teneinde zich iets weerbaarder te maken. Op 25 augustus 1939, hij is dan achttien, trouwt Henri met Ria. Samen met haar en Henri's moeder, die inmiddels uit de psychiatrische kliniek is ontslagen, zet hij de sigarenwinkel in Voorschoten voort. Henri heeft dan het vreemde gevoel alsof zijn leven nu al (bijna) voorbij is.
Het jaar daarop breekt ook in Nederland de Tweede Wereldoorlog uit. Niet lang daarna wordt de sigarenwinkel bezocht door een Nederlandse luitenant, die zich Dorbeck noemt. Dorbeck heeft een filmpje laten ontwikkelen en afdrukken. Hij lijkt qua gezicht erg op Henri en ze zijn ook vrijwel precies even groot. Het enige belangrijke verschil tussen beiden is dat Dorbeck zwart haar heeft, terwijl Osewoudt blond is. Nadat later het Duitse leger Voorschoten is binnengetrokken, komt Dorbeck opnieuw. Hij vertelt nu aan Henri dat hij tijdens het bombardement op Rotterdam twee Duitse saboteurs heeft neergeschoten, en zich nu moet vermommen aangezien de Duitsers hem zoeken. Osewoudt geeft Dorbeck een kostuum en schoenen te leen. Hij verstopt Dorbecks uniform, dat hij later zal begraven in zijn tuin.
Als Dorbeck later het kostuum komt terugbrengen, laat hij bij Henri tevens twee Leica-films achter om te ontwikkelen. Dat mislukt, waarna Henri – om zijn eigen gepruts te maskeren – met een eigen Leica-camera zelf een paar nieuwe foto's maakt. Dorbeck blijkt bij zijn volgende bezoek aan Henri opeens niet meer geïnteresseerd in de opnames, en zegt dat er niets op stond. Wel vraagt hij Henri nu om met de trein naar Haarlem te komen. Daar liquideren Dorbeck, Henri Osewoudt en hun handlanger Zéwüster op 23 juli 1940 drie personen in de Kleine Houtstraat 32. Henri slaagt er later in om alsnog een serie foto's te ontwikkelen die Dorbeck hem bij zijn allereerste bezoek heeft gegeven, en hij stuurt deze foto's op naar Dorbeck. Elly Sprenkelbach-Meijer, een meisje dat Henri uit handen van de Duitsers moet zien te houden, blijkt later een van deze foto's in haar bezit te hebben. Ze vertelt echter niet aan Henri hoe ze hieraan is gekomen. Dorbeck vergeet haar te vragen hem de foto te tonen.
Dan is het vier jaar later, juni 1944. Henri raakt via Elly opnieuw bij het verzet betrokken. Als Ria en zijn moeder door de Duitsers gevangen worden genomen, moet hij vluchten en onderduiken. Henri laat zijn haar zwart verven door de geblondeerde joodse ex-studente Mirjam Zettenbaum, die schuilgaat onder de naam Marianne Sondaar. Hij mag nu clandestien foto's gaan ontwikkelen in de donkere kamer van de ondergrondse verzetsgroep van Labare op de Zoeterwoudsesingel 74 in Leiden. Hij krijgt van Dorbeck bovendien een nieuwe verzetsopdracht: in Lunteren moet hij de gevaarlijke NSB'er Lagendaal – die voor de Gestapo werkt – en diens vrouw vermoorden. Henri slaagt in deze opdracht. Door de arrestatie van zijn helpster wordt hij in de trein op de terugweg naar Amsterdam opgescheept met het kleine zoontje van Lagendaal. Dit jongetje laat hij in Amsterdam op straat achter. Henri's foto wordt verspreid in de bioscopen en kranten en hij valt hierdoor snel in handen van de Duitsers. Hij wordt na een mishandeling opgenomen in het ziekenhuis aan de Zuidwal, waar drie gemaskerde mannen hem korte tijd later weer uit bevrijden. Hij keert daarna terug naar het huis van Labare en diens handlangers, die echter kort daarop zelf gevangen worden genomen door de Duitsers. Vóór de Duitse inval heeft Henri wel Marianne nog teruggezien.
Henri ontsnapt in eerste instantie, maar wordt snel weer gearresteerd en verhoord. Tijdens die verhoren vertellen de Duitsers hem dat Marianne inmiddels ook is opgepakt en nu in kamp Westerbork zit. Bovendien blijkt ze zwanger van hem te zijn. De Duitse SS'er Oberstürmführer Ebernuss regelt Mariannes vrijlating, maar hij houdt Henri ook negen maanden lang gevangen, tot 4 april 1945. Dan wil Ebernuss dat Henri hem naar Dorbecks adres in Amsterdam brengt. Henri vergiftigt aldaar Ebernuss in opdracht van Dorbeck. Osewoudt krijgt van Dorbeck kleren om zich als verpleegster te vermommen. Tevens verneemt Henri van Dorbeck dat zijn moeder zelfmoord heeft gepleegd, nadat ze bij de Duitsers was aangegeven door Ria, die inmiddels samenwoont met een NSB'er. Dorbeck reageert met: "Jij werd dus ondervraagd over dingen die ik gedaan had"! Henri krijgt van Dorbeck de volgende dag een berichtje dat Marianne bezig is te bevallen. Wanneer hij op het aangegeven adres arriveert blijkt het kindje echter op 4 april te zijn overleden. Marianne krijgt hij niet meer te zien. Henri zoekt daarop Ria op in de winkel te Voorschoten. Hij vermoordt zowel haar als de Duitse officier die hem vanaf Amsterdam een lift gaf en hem aanrandde.
Omstreeks de bevrijding vlucht Henri naar Breda. Tot zijn grote verbazing en frustratie wordt hij daar echter helemaal niet als een held en verzetsstrijder ontvangen, maar juist door iedereen als verrader en een van de handlangers van de Gestapo beschouwd. Zijn "bevrijding" uit het ziekenhuis blijkt door de Duitsers in scène te zijn gezet, om hem gemakkelijk te kunnen volgen. De Nederlandse politie is er nu rotsvast van overtuigd dat Henri hierbij rechtstreeks met de Duitsers onder een hoedje heeft gespeeld. Elly blijkt door de Duitsers te zijn gedood en Henri krijgt ook hier de schuld van. Oom Bart blijkt de oorlog te hebben overleefd, maar hij wil niets meer van zijn neef weten en zegt niets over Henri dat ontlastend kan werken. Iedereen die verder nog ten gunste van Henri had kunnen getuigen is dood of spoorloos verdwenen. Marianne zit nu in een kibboets in het vrijwel ontoegankelijke mandaatgebied Palestina.
In zijn verdediging tegen de jegens hem geuite beschuldigingen een verrader te zijn, komt Henri niet veel verder dan het telkens herhalen van zijn hoop dat Dorbeck op een dag weer zal opduiken om hem te verdedigen en te verklaren dat er sprake is van een misverstand. De mogelijkheid wordt geopperd dat Dorbeck in werkelijkheid iemand was van de familie Jagtman, aan wie Henri Osewoudt in het begin van de oorlog in opdracht van Dorbeck de ontwikkelde foto's moest versturen. Deze Egbert Jagtman zou in de meidagen van 1940 twee Duitse militairen hebben laten executeren. Hij was echter al gedeporteerd naar Duitsland toen Henri en Dorbeck aan het begin van de oorlog samen in Haarlem waren, en kan het volgens Osewoudt dus onmogelijk zijn. De vroegere tandarts van deze familie probeert aan de hand van gebitsgegevens de betreffende persoon in een lijkenhuis van het concentratiekamp te identificeren, maar dit mislukt doordat de overleden Egbert Jagtman geen tanden meer heeft en verder ook onherkenbaar is door de ontbinding. Hij heeft echter wel zwart haar, net als Dorbeck. Het blijft daarmee onduidelijk of Dorbeck wel of niet nog in leven is. De figuur van Dorbeck wordt door zowel de Nederlandse als de Engelse politie en in de pers afgeschilderd als een verzinsel of zelfs een hallucinatie van Henri. De psychiater Lichtenau, die voor de oorlog al Osewoudts moeder behandelde, is van dit laatste overtuigd. Inmiddels is er toch op landelijk en internationaal niveau naar Dorbeck gezocht.
Eindelijk wordt Henri's camera, die hij bij zijn laatste opdracht samen met Dorbeck was kwijtgeraakt, toch nog teruggevonden. Als allerlaatste redmiddel probeert Henri op 27 december 1945 een foto te ontwikkelen waarop hijzelf en Dorbeck samen in een spiegel te zien zijn, maar die opname blijft zwart. Henri rent nu in uiterste wanhoop het gebouw uit waarin hij wordt vastgehouden, in het kamp Achtste Exloërmond in Drenthe. Iemand schiet hem van achteren neer, en hij wordt hevig bloedend en zwaargewond weer binnen neergelegd. De pater probeert Henri, die waarschijnlijk snel hierna zal sterven, nog enige hulp te bieden.
Achtergronden
Betekenis
De roman kan op meerdere manieren tegelijk worden gelezen: onder meer als een spannend oorlogsavontuur, als een psychologisch verhaal over de identiteitsproblematiek en als een filosofische roman, waarin de onkenbaarheid van de werkelijkheid vooral blijkt uit de onkenbaarheid van het verleden, en ook als een sublieme kritiek op het concept van de alwetende verteller in de literatuur.
Literatuurhistoricus Hugo Brems spreekt van een herneming van de thematiek uit De tranen der acacia's maar dan 'op nog cynischer wijze', en stelt dat 'de grenzen tussen schuld en onschuld, waarheid en bedrog nu helemaal worden weggevaagd.'[2]
Volgens de exegeet Frans A. Janssen kan de roman op zeker drie verschillende manieren gelezen worden: als een spannende oorlogs- of verzetsroman, als psychologische roman over de identiteitsproblematiek, en als filosofische roman met de kennistheoretische implicatie dat wanneer de werkelijkheid ondoorgrondelijk is, ook het verleden onkenbaar is.[3]
Elementen uit de werkelijkheid
Het verhaal van de landverrader Anton van der Waals heeft als inspiratie gediend voor het dubbelpersonage Dorbeck / Osewoudt. Fundamenteel verschil tussen Van der Waals en Osewoudt is dat laatstgenoemde door Hermans in een gesprek met Willem M. Roggeman als te goeder trouw wordt omschreven, waar Van der Waals een bedrieger was.
De brief die Osewoudt op 19 oktober 1945 schrijft aan de verdwenen Mirjam Zettenbaum, ondergedoken onder de naam Marian Sondaar, vertoont volgens J. Melkman enkele opmerkelijke slordigheden. Zo is het adres van de brief ergens in Israël, terwijl die staat in 1945 nog niet bestond. Ook de vage vermelding 'in a kibboets' is onvoldoende voor een correcte bezorging. 'Dat er tientallen kibboetsiem in Palestina waren; dat er Joodse instanties waren tot wie men zich om informatie kon wenden; dit alles is Hermans ontgaan.'[4]
De episode waarin Osewoudt in dameskleren gekleed gaat en nagefloten wordt door Duitse militairen gaat terug op de werkelijkheid. In de periode dat de invasie van Normandië (6 juni 1944) plaatsvond, werd het eerste nummer van literair tijdschrift Podium voorbereid. Toen het tweede nummer uit was, werd redacteur Gerrit Meinsma tijdens een razzia opgepakt en naar een werkkamp in Drenthe overgebracht om dwangarbeid te verrichten. Omdat wel meisjes binnen het afgesloten gebied werden toegelaten, bracht zijn vriendin en mederedacteur Corrie van der Noord hem een damespruik en -kleren. Flirtend naar de Duitse soldaten fietste Meinsma de poort uit, nagefloten door de Duitsers.[5]
De scène waarin Osewoudt in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek Zéwüster tegenkomt, die hij vier jaar daarvoor leerde kennen als verzetsman, en die zich nu haastig uit de voeten maakt onder mededeling dat hij De Bruin heet, is volgens Hermans' eerste biograaf Hans van Straten op een werkelijke gebeurtenis gebaseerd.[6] Een oud-klasgenoot van Hermans, Reina Prinsen Geerligs, was als koerierster actief in de verzetsgroep CS-6. Toen hij haar in de universiteitsbibliotheek toevallig tegenkwam, had zij zich 'opvallend schichtig' gedragen en was 'haastig weggeglipt'. Hermans wist niet dat zij in het verzet zat. Een maand later werd zij opgepakt.[7]
Gebeurtenissen uit Hermans' eigen leven
Op 8 januari 1954 beviel Hermans' vrouw van een zoon, die echter dood ter wereld kwam. De dag erna schreef hij hierover een brief aan zijn uitgever Geert van Oorschot, waarin hij uiteenzette dat zijn vrouw voor de bevalling onder narcose was gebracht.
In de roman verwijst Hermans naar deze bevalling, in de vorm van de scène waar Osewoudt – als verpleegster verkleed – de kliniek bezoekt waar Marianne net van hun kind is bevallen. Pas wanneer hij bij het kindje wordt gebracht, komt hij erachter dat het dood werd geboren, hoewel het ook in de roman helemaal gaaf was:
Het kind lag onder een dun dekentje. Het had een hemdje aan met halflange mouwtjes. De handjes lagen over elkaar. De nageltjes aan de vingers waren donkerbruin, zoals de nagel van iemand die zijn vinger gekneld heeft tussen een deur.
Het gezicht van het kind deed denken aan een jong vogeltje: de bovenlip hing ver over de onderlip heen, waardoor de mond op een onvolgroeide snavel leek. Aan de mondhoeken zat een beetje opgedroogd bloed. Denkelijk om het mondje gesloten te houden, lag er een hoog kussentje onder het hoofd, zodat het letterlijk was of het kind op zijn neus lag te kijken. De ogen waren gesloten in een uitdrukking van peilloze treurigheid, alsof het kind nog juist in de gelegenheid geweest was er verdriet van te hebben dat het niet zou leven.
Het hoofd was puntvormig en bij de oren ver ingedeukt. Een onderhuidse bloeduitstorting kleurde het voorhoofd al grotendeels zwart.
Osewoudts ogen schoten vol tranen, de omgeving werd onzichtbaar of er een dikke plaat ijsglas voor zijn hoofd werd gehouden.[8]
Titelverklaring
De titel verwijst naar twee verschillende zaken tegelijkertijd: de donkere kamer waarin foto's worden ontwikkeld en de oude Griekse legende over het zwaard van Damocles. De titel verwijst naar elk van de drie betekenisniveaus van de roman: het verhaal als avonturenverhaal, het psychologische niveau en het filosofische niveau.[9]
Op het niveau van de roman als spannende oorlogsroman, aldus Frans A. Janssen, hangt het bestaan van Osewoudt af van een foto die in de donkere kamer wordt ontwikkeld. Het resultaat betekent echter zijn ondergang: 'het zwaard valt.'[10] Voor de titelverklaring op het psychologische niveau is van belang dat Osewoudt veel verblijft in - al dan niet donkere - kamers. Die tekenen de 'geslotenheid van zijn wereld; hij zit opgesloten in de donkere kamer van zijn persoonlijkheid.'[11] De donkere kamer is op het filosofische niveau, oftewel de epistemologische thematiek van de auteur, een aanduiding voor de onkenbaarheid, onduidelijkheid en ondoorzichtigheid van de wereld, die juist daardoor een dreiging vormt: 'zij kan de weerloze mens plotseling tot slachtoffer maken.'[11]
Verteltechniek
De donkere kamer van Damokles is een voorbeeld van een personale vertelling: er is een vertelinstantie aan het woord die geen personage in het verhaal zelf is, maar waarmee het bewustzijn van één, in de derde persoon aangeduid, personage wordt aangehouden, in deze roman Henri Osewoudt. De vertelinstantie, aldus Frans A. Janssen, houdt geen gegevens achter, maar 'bezit geen alwetendheid en staat niet boven het standpunt van Osewoudt' en 'verschaft geen commentaar, geeft geen oordeel'.[12] Enkele episodes zijn aan te merken als uitzonderingen op deze algemene karakteristiek, waaronder de uiteindelijke dood van Henri Osewoudt, waarbij in de laatste paar regels van het verhaal sprake is van een auctorieel vertelperspectief.[13] Enkele keren geeft de vertelinstantie uitleg. De gedachten van Osewoudt worden soms door middel van de vrije indirecte rede, in de derde persoon verleden tijd, en soms met de stream of consciousness-techniek, dus in de eerste persoon tegenwoordige tijd weergegeven. Bovendien komen beide technieken ook in combinatie voor. Het effect is een suggestie van directheid.[14]
Door de personale verteltechniek hebben vertelinstantie, Osewoudt en de lezer dezelfde beperkte waarneming van de gebeurtenissen. De lezer kan de gegevens niet verifiëren en als Osewoudt zijn visie op de werkelijkheid (Dorbeck bestond echt en gaf Osewoudt opdrachten) niet kan bewijzen, tast ook de lezer in het duister, 'het thema van de roman wordt de lezer in de schoenen geschoven.' Wel kan de lezer door terugbladeren controleren of Osewoudts herinneringen aan eerdere gebeurtenissen juist zijn. Verder suggereert de verteltechniek objectiviteit.[15]
Eerste zin
De openingszin uit de roman luidt:
... Dagenlang zwierf hij rond op zijn vlot, zonder drinken.
waarna een blikseminslag het vlot treft en de betreffende drenkeling hetzelfde zeewater dat hij zo haat omdat hij het niet kan drinken keihard nodig heeft om de brand te blussen. Het gaat hier om een door de onderwijzer van Osewoudts schoolklas voorgelezen passage uit een niet bij naam genoemd avonturenboek. Deze passage is een symbolische toespeling op het uiteindelijke lot van Osewoudt: de inslag staat symbool voor de eerste confrontatie met Osewoudts beter uitgevallen "spiegelbeeld", en Osewoudt zal de hierdoor ontstane "brand" uiteindelijk niet kunnen blussen en daardoor ten onder gaan.[noten 1][16]
Laatste zin
De laatste zin van het verhaal luidt: "Maar aan de handen van pater Beer zaten minder vingers dan Osewoudt kogelgaten in zijn lichaam had."
Het raadsel Dorbeck
In de figuren Osewoudt en Dorbeck maakt Hermans gebruik van het Doppelgänger-motief. In literaire analyses is veelvuldig de vraag gesteld of het personage Dorbeck nu echt bestaat of alleen in de belevingswereld van Osewoudt, of dat het misschien een combinatie van beide is, wat betekent dat Osewoudt bijvoorbeeld alleen aan het begin van het verhaal echt iemand tegenkomt die zich uitgeeft als Dorbeck. In het boek is gezocht naar subtiele aanwijzingen die erop lijken te duiden dat Dorbeck inderdaad dezelfde persoon is Egbert Jagtman. Zo lijkt er een samenhang in betekenis te zijn tussen de namen Osewoudt en Jagtman, terwijl Henri aan het begin van het verhaal om onduidelijke redenen een keer tegenover Dorbeck opmerkt dat hun namen op elkaar lijken.[17]
Vooropgesteld dat Dorbeck echt bestaat, is hij volgens sommigen een collaborateur in plaats van een verzetsheld.[18] Dit tot teleurstelling van Hermans, die door de verwarring hierover ging twijfelen aan de kwaliteit van zijn boek.
De auteur René Marres, die zich veel heeft beziggehouden met Hermans' werk, merkte op dat veel gebeurtenissen in met name de eerste helft van het verhaal onmogelijk te verklaren zijn als Dorbeck alleen maar een hallucinatie van Osewoudt was geweest.[19]
Het lijkt iets zekerder dat Dorbeck niet de echte naam van het personage in kwestie is, maar een schuilnaam.
Hermans' eigen verklaringen en uitleg
Hermans schreef in een brief uit 1962 aan Jacques den Haan dat Dorbeck wel degelijk bestaat, maar dat Osewoudt voor de buitenwereld de schijn tegen zich heeft. In een interview uit ongeveer dezelfde periode met Hans Ulrich Jessurun d'Oliveira verklaarde Hermans dat hij het zelf niet eens was met de psychiater van Osewoudts moeder die ervan uitgaat dat Dorbeck enkel een hallucinatie is: "Ik zelf deel niet het psychologische standpunt van die dokter, ik geef het alleen weer".[20]
Tegenover Saskia de Vries stelde Hermans zelf over het bestaan van Dorbeck: "Het bewijs dat hij geen hallucinatie is, kan Osewoudt niet met documenten leveren, maar de lezer van het boek, kan in elk geval zeker weten dat er wel degelijk een dubbelganger van Osewoudt bestaat of moet hebben bestaan. De NSB-zoon van de drogist heeft hem immers gezien [...] ook al denkt deze drogistenzoon dat het Osewoudt was in andere kleren."[21]
In een brief aan Skoop schreef Hermans in 1963: "Het is de bedoeling dat Dorbeck wel degelijk bestaat of bestaan heeft. Maar of hij alles wat aan hem wordt toegeschreven wel gedaan heeft, is de vraag. Het is absoluut niet zo dat Dorbeck uitsluitend een hallucinatie, een fantasie van Ducker [Osewoudt] is."[22]
- Naschrift
In 1971 voegde Hermans een naschrift toe, een citaat van de filosoof Ludwig Wittgenstein:
"Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is.
Men zou kunnen willen zeggen: 'Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.'
- Dan moet hij er ook zijn, als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat."
Moorden en liquidaties
- 23 juli 1940. Geplande overval op de Korte Houtstraat 32 te Haarlem. Dit in opdracht en met medewerking van Dorbeck. Drie doden, waarvan één door Osewoudt.
- 1944 Duitse agent Lagendaal te Lunteren met zijn vrouw en de oppasdame van de Jeugdstorm. Opdracht Dorbeck. Drie doden.
- 5 april 1945. In opdracht van Dorbeck de Duitser Ebernuss met vergif te Amsterdam.
- 6 april 1945 Moord op echtgenote Ria met mes.
- 6 april 1945 Moord op lift gevende Duitse luchtmachtofficier met mes.
Osewoudt dreigt de doodstraf te krijgen vanwege samenspannen met de bezetter. Maar het bewijs is zwak. Het Englandspiel kende bijna geen overlevenden. De Duitsers pakten bijna iedere spion op.
In een functionerend Nederlands rechtssysteem zou hij voor de moorden in Haarlem, Lunteren en Amsterdam worden vrijgesproken. De laatste moord op de Duitse officier zou als noodweer kunnen worden bestempeld. Maar de moord op zijn echtgenote was niet straffeloos gebleven. Dat was een bewuste moord en eigen rechter spelen.
In het boek wordt de moord op Ria niet tegengeworpen. Het gaat slechts om het sterke vermoeden bij de autoriteiten dat Osewoudt een collaborateur was en daarmee de doodstraf verdiende.
Het blijft ook onduidelijk door wie Osewoudt helemaal het eind van het verhaal wordt neergeschoten. Er wordt alleen verteld dat dit met stenguns gebeurt. De Engelse bewakers bezaten die, maar er is tegelijkertijd een gevangen opstand van ex-SS'ers aan de gang.
Ontvangst en beoordelingen
Veel critici haalden de roman in als een meesterwerk, beschrijft Janssen. Ook waren er een aantal die bezwaren hadden tegen de moraal van de roman als geheel of op onderdelen, zoals het sarcasme tegen het idealistisch socialisme. Sommige critici lieten literaire waardering gepaard gaan met morele afwijzing. Critici die de roman als verzetsroman lazen, zoals Jef Last en Victor E. van Vriesland, baseerden hun afwijzing van de tekening van het verzet op hun miskenning van de specifieke functie die collaboratie en verzet in deze roman spelen.[23]
H.A. Gomperts besprak de roman op 6 december 1958 in Het Parool en noemde die 'gaver en in technisch opzicht oneindig beter' dan De tranen der acacia's. Gomperts wijst op de detective-achtige aard van de roman, maar acht het werk wel boven dit genre verheven, met name door de bijzondere vertelwijze die een schijnbaar objectieve werkelijkheid beschrijft, maar in feite een projectie is van het bewustzijn van de protagonist. Osewoudt is volgens Gomperts alleen werkelijk emotioneel betrokken bij het Joodse meisje en het doodgeboren kind; verder is hij gefascineerd door bordjes en reclameteksten die een werkelijke verstandhouding vervangen. Gomperts kent een groot belang toe aan het bord 'Inhalen Verboden', dat volgens hem de essentiële verhouding van Osewoudt tot andere mensen weergeeft. Het bordje 'leeg expositiemateriaal' dat Osewoudt aan het einde van de oorlog in de etalage legt, zou zijn eigen leegte verbeelden.[24]
In de jaren zestig werd de waardering voor de roman steeds groter, mede onder invloed van het tijdschrift Merlyn.
Een opmerkelijk aspect van de receptie is de houding die critici innemen omtrent de vraag naar het bestaan van Dorbeck. Op basis hiervan laten zij zich in drie groepen onderverdelen: een groep die meent dat Dorbeck een hersenspinsel van Osewoudt is, een groep die hem als een werkelijk personage opvat en een groep die meent dat deze vraag onoplosbaar is. De laatstgenoemde visie is de meest invloedrijke, mede door het hierbij aansluitende commentaar dat de auteur zelf in interviews geformuleerd heeft.[25]
John le Carré was een bewonderaar van het werk van Hermans. Hermans verdacht le Carré van plagiaat; zijn roman The Spy Who Came in From the Cold zou te veel overeenkomsten hebben met De Donkere Kamer.[26]
Plaats in het oeuvre
De thematiek en ook het verhaal zelf zijn volgens Frans A. Janssen verwant aan De tranen der acacia's uit 1949 en het televisiespel King Kong uit 1968.[27] Beide romans betreffen de milieus van verzet en collaboratie, en spelen zich af in een sfeer van wantrouwen, misverstand en onbegrip, terwijl onzekerheid bestaat over identiteit en intenties. Ook bestaan er overeenkomsten in de gebeurtenissen. Zo wordt ook Oskar uit De tranen na de bevrijding gearresteerd en meent zijn vrouw dat Ernst zijn onschuld kan bewijzen en dus opgespoord moet worden. Daarnaast zijn er overeenkomstige details.[28]
Het televisiespel King Kong draait om het 'waarheidsprobleem', zoals Janssen de thematiek noemt. De historische waarheid is niet meer vast te stellen vanwege onvolledigheid van documenten, onbetrouwbaarheid, misverstand en onwil. Wat voor de waarheid gehouden wordt, is een illusie. Aan het einde van het stuk wordt gezegd: 'Wie het langst praat, krijgt van de geschiedenis gelijk.'[29]
Vertalingen
Van de roman verschenen (of verschijnen binnenkort) vertalingen in de volgende talen:
- Chinees (Damokelisi de anshi, 2011, vertaler Deli Song)
- Deens (Damokles' mørke kammer, 1961, vertaler Else Westh Neuhard)
- Duits (Die Dunkelkammer des Damokles, 2001, vertaler Waltraud Hüsmert)
- Engels (The dark room of Damocles, 1962, vertaler Roy Edwards; The darkroom of Damocles, 2007, vertaler Ina Rilke)
- Fins (Damokleen pimeä huone, 1963, vertaler Aune Tunkelo)
- Frans (La chambre noire de Damoclès, 1962, vertaler Maurice Beerblock; 2006, vertaler Daniel Cunin)
- Grieks (Ho skoteinós thálamos tou Damoklé, 2005, vertaler Yannis Ioannidis)
- Italiaans (La camera oscura di Damocle, 2022, vertaler Claudia Di Palermo)
- Kroatisch (Damoklova mračna komora, 2015, vertaler Radovan Lučić)
- Noors (Damokles' mørkerom, 1962, vertaler Bjørn Braaten)
- Pools (Ciemnia Damoklesa, 1994, vertaler Andrzej Dąbrówka)
- Portugees (in voorbereiding, 2016, vertaler Alfredo Prazeirozo Texugueiro)
- Spaans (El cuarto oscuro de Damocles, 2009, vertaler Catalina Ginard Féron)
- Tsjechisch (Temná komora Damoklova, 2010, vertaler Magda de Bruin-Hüblová)
- Zweeds (Mörkrummet, 1962, vertaler Brita Dahlman)
Verfilming
Het boek is in 1963 verfilmd in zwart-wit door regisseur Fons Rademakers onder de titel Als twee druppels water, en met Lex Schoorel in de hoofdrol. Hermans schreef aanvankelijk zelf het scenario, maar na onenigheid met Rademakers voltooide deze het scenario zelf. De achternaam van het hoofdpersonage in Hermans' roman, Osewoudt, is in de film veranderd in Ducker. Het opvallendste verschil tussen boek en film is de slotscène, die zich afspeelt op een atol en de kijker in nog meer verwarring achterlaat.
Trivia
- De roman werd in 2007 vijfde in de lijst van beste Nederlandstalige boeken aller tijden.
- Bij gelegenheid van de jaarlijkse campagne Nederland Leest in november 2012 is deze roman door de Nederlandse openbare bibliotheken als gratis boek aan hun leden en scholieren uitgereikt. Het bevatte ook een lofrede door Claudia de Breij en was met grote letter gedrukt, ISBN 978-90-5965-181-4
Literatuur
- W.H.M. Smulders: De literaire misleiding in De donkere kamer van Damokles. HES, Utrecht, 1983. 316 p.
- Commentaar. De ontstaans- en publicatiegeschiedenis van De donkere kamer van Damokles in: De volledige werken van Willem Frederik Hermans, deel 3, 2010. Wetenschappelijk bezorgd en van commentaar voorzien door het Huygens Instituut der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Den Haag.
Bronnen
- Brems, Hugo (2006). Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005. Reeks: A.J. Gelderblom en A.M. Musschoot (hoofdredactie), Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker.
- Calis, Piet (1989). Piet Calis, Het ondergronds verwachten. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945. Amsterdam: Meulenhoff
- Gomperts, H.A.. 'De dubbele wereld van W.F. Hermans', Het Parool, 6 december 1958
- Huygens ING, 'Tekstgeschiedenis en tekstbezorging De donkere kamer van Damokles (1958).'
- Janssen, Frans A. (1983). Over De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1983
- Janssen, Frans A. (1985). 'Willem Frederik Hermans.' G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. Weesp: De Haan, p. 265-267.
- Janssen, Frans A. en Sonja van Stek (2005). 'Bibliografische beschrijving van alle drukken van De donkere kamer van Damokles.' In: Frans A. Janssen en Sonja van Stek, Het bibliografische universum van Willem Frederik Hermans. Tweede, herziene en uitgebreide versie in samenwerking met Peter Kegel, Willem Frederik Hermans Instituut, 81-99.
- Juffer, Anneke (1986). W.F. Hermans: De donkere kamer van Damokles. Memoreeks: analyse en samenvatting van literaire werken. Tweede druk, Apeldoorn: Walva-boek/Van Walraven, ISBN 9066750332
- Klaassen, Pascal (2019). De vele vragen na het lezen van De donkere kamer van Damokles, de Rode Muur.
- Marres, René (1996). Over de interpretatie van De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Dimensie Boeken, Leiden 1996
- Melkman, J. (1964). Geliefde vijand. Het beeld van de Jood in de naoorlogse Nederlandse literatuur. Amsterdam: N.V. De Arbeiderspers.
- Straten, Hans van (1999). Hermans. zijn tijd. zijn werk. zijn leven. Soesterberg: Uitgeverij Aspekt bv, ISBN 907532362x
Externe links
- De donkere kamer van Damokles, bibliotheek.nl
- Google Books, tekst onvolledig
Referenties
- ↑ Datering: JS146. Het JS-nummer verwijst naar de bibliografische beschrijving van de drukken in Frans A. Janssen en Sonja van Stek 2005 (zie Bronnen). Geraadpleegd op 11 november 2013.
- ↑ Brems (2006), p. 68.
- ↑ Janssen (1985), p. 266.
- ↑ Melkman (1964), p. 45
- ↑ Calis (1989), p. 386-387
- ↑ Van Straten (1999), p. 73
- ↑ Van Straten (1999), p. 67
- ↑ Willem Frederik Hermans, De donkere kamer van Damokles, zesenveertigste druk (editie Nederland Leest), Amsterdam, 2012, 221-222.
- ↑ Janssen (1983), p. 41
- ↑ Janssen (1983), 'Analyse en interpretatie', p. 40. Gearchiveerd op 15 april 2023.
- 1 2 Janssen (1983), p. 40
- ↑ Janssen (1983), p. 50.
- ↑ De donkere kamer van Damokles Willem Frederik Hermans. Geraadpleegd op 26 mei 2015.
- ↑ Janssen (1983), p. 51.
- ↑ Janssen (1983), p. 52.
- ↑ Johan Polak, Klassieke schoonheid in de proëmia van de romans van Willem Frederik Hermans. Geraadpleegd op 26 mei 2015.
- ↑ A.Kooyman, Uit de donkere kamer. Essays over en interpretaties van Hermans' Donkere kamer van Damokles (2002). Geraadpleegd op 3 september 2025.
- ↑ Uit de donkere kamer. Essays over en interpretaties van Hermans' Donkere kamer van Damokles, 2005. Gearchiveerd op 8 mei 2019.
- ↑ Marres (1996), p. 13
- ↑ H.U. Jessurun d'Oliveira, Scheppen riep hij gaat van Au, 1965. Gearchiveerd op 8 juni 2023.
- ↑ Dorbeck. NRC handelsblad (9 december 2012). Geraadpleegd op 17 januari 2017.
- ↑ Marres (1996), p. 41
- ↑ Janssen (1983), p. 73.
- ↑ Gomperts (1958)
- ↑ Juffer (1986), p. 37.
- ↑ Grudge against le Carre comes in from the cold
- ↑ Janssen (1983), 'De donkere kamer van Damokles in het werk van Hermans', p. 68. Gearchiveerd op 15 april 2023.
- ↑ Janssen (1983), p. 66
- ↑ Geciteerd bij Janssen (1983), p. 67