De Rode Pannen

Het cellengebouw uit 1862; naamgever voor de latere gevangenis

De Rode Pannen is een voormalig cellencomplex aan de Oude Gracht in Veenhuizen, (Drenthe). Het complex omvat een cellengebouw uit 1862 en latere uitbreidingen in 1889 en 1939-1940. Tot 2003 functioneerde het als strafgevangenis; vanaf 2003 als Huis van Bewaring. De laatste gedetineerde verliet de Rode Pannen op 31 maart 2008.

Geschiedenis

Oorsprong (1860)

Het oudste deel van De Rode Pannen werd in 1862 gebouwd, in de periode dat Veenhuizen nog een Rijksbedelaarsgesticht was onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het ontwerp volgde de principes van A.C. Pierson, ingenieur voor gevangenisbouw, en werd uitgevoerd ter ondersteuning van de provinciale hoofdingenieur van Waterstaat .

Het gebouw was cellulair van opzet en diende als extra tuchtmaatregel binnen de gestichten. Het had een rechthoekige plattegrond (circa 7 × 27 meter) en bevatte 24 kleine cellen (1,88 × 1,60 meter), verdeeld over twee gangen, met in het midden de woning van de cipier. Het regime was streng: maximaal zeven dagen celstraf, om de andere dag water en brood, inhouding van loon en verlies van tegoeden. Verwarming ontbrak, waardoor gestraften ’s winters van 15.00 tot 9.00 uur in het donker en de kou verbleven.

Uitbreiding (1889)

In 1889 was Veenhuizen definitief omgevormd van een Rijksbedelaarsgesticht tot een Rijkswerkinrichting onder het Ministerie van Justitie, op basis van het nieuwe Wetboek van Strafrecht (1886).Op grond van dit wetboek kon men, naast hechtenis, worden veroordeeld tot plaatsing in een rijkswerkinrichting voor maximaal drie jaar, bijvoorbeeld bij openbare bedelarij en landloperij (rondzwerven zonder middelen van bestaan).[1]

Tegelijkertijd werd het Reglement van Tucht ingevoerd (Wet van 14 april 1886, Staatsblad nr. 62), dat aanzienlijk zwaardere disciplinaire straffen mogelijk maakte. Waar vóór 1886 de zwaarste straf zeven dagen cel was, kon nu opsluiting tot zes maanden worden opgelegd. Deze straf kon gepaard gaan met opsluiting in een strafcel zonder nachtleger (een ouderwetse term voor slaapgerei zoals een bed of hangmat), boeien en zelfs een volledig donkere cel voor tweemaal 24 uur.[1]

In ernstige gevallen kon het gewone voedsel worden vervangen door water en brood. Deze sancties golden voor verpleegden die zich in de cel misdroegen of zich schuldig maakten aan herhaalde overtredingen.[1]

Architectuur

Om deze strengere straffen te kunnen uitvoeren, werd het cellencomplex in 1889–1890 uitgebreid onder supervisie van W.C. Metzelaar, rijksbouwmeester voor Justitie. De uitbreiding omvatte een tweelaagse aanbouw met:

  • Tien grotere cellen (4 × 2,60 m)
  • Vier luchtkooien, van boven afgesloten met ijzeren roosterwerk, voor dagelijks luchten (30 minuten, bij warm weer tweemaal).[1]

Omstreeks 1900 werd een dienstwoning aangebouwd voor de zaalopziener (gevangenenbewaarder), eveneens naar ontwerp van W.C. Metzelaar. Deze woning was halfvrijstaand tegen het cellengebouw geplaatst en intern verbonden via een gang. Tot in de jaren ’70 werd deze woning nog bewoond door personeel.

Aan het einde van de 19e eeuw werd centrale verwarming aangebracht in het oude cellengebouw.

Nieuwbouw (1939–1940)

In 1939–1940 werd een nieuw gebouw met 46 cellen toegevoegd, waarvan zes tweepersoonscellen. Het gebouw bestond uit twee verdiepingen met een vlak (beneden) en ring met balustrade (boven). Dit gebouw was bestemd voor gedetineerden met problematisch gedrag die in andere gevangenissen niet te handhaven waren. Het regime was uitzonderlijk streng en omvatte isolatie- en afzonderingscellen met aparte luchthokken.

Tweede Wereldoorlog en bevrijding

Tijdens de Tweede Wereldoorlog fungeerde het cellengebouw als schuilplaats voor wapens afkomstig van geallieerde droppings, verborgen door verzetsgroepen zoals de Knokploeg Noord-Drenthe en de Ordedienst. Daarnaast werd het gebouw gebruikt als onderduikadres voor onderduikers, veelal jonge mannen die zich wilden onttrekken aan de Arbeitseinsatz (verplichte arbeidsinzet).

In april 1945 werden NSB’ers uit de omgeving – mannen en oudere jongens – in het cellengebouw opgesloten; vrouwen en jonge kinderen werden ondergebracht in het Eerste Gesticht (het huidige Norgerhaven). In zowel het oude als het nieuwe cellengebouw zaten toen drie of vier mannen in één cel.

Na de oorlog

In 1953 werd het oorspronkelijke gebouw uit 1862 verbouwd tot opslagruimte voor turntoestellen en brandstof, en tot rijwielstalling voor het Korps Gestichtswacht. De aanbouw met luchtplaatsen uit 1889 werd tussen 1953 en 1957 gesloopt. Vermoedelijk omstreeks 1967 werd het cellengebouw opnieuw heringedeeld en werden er een wapenkamer en kantoorruimten gerealiseerd.

Vanaf de jaren '70

Vanaf 1970 kreeg De Rode Pannen een landelijke functie voor gedetineerden die elders niet te handhaven waren. Het diende ook als opvang voor passanten (gedetineerden op doorreis) en incidenteel voor relschoppers van de TT-races in Assen. Deze passanten verbleven soms in sobere cellen zonder gunsten, met alleen een tafel, stoel en bijbel.

Als een gedetineerde een gevaar vormde voor zichzelf of voor het personeel, kon hij door tussenkomst van de arts worden vastgebonden op het veiligheidsbed voor maximaal 24 uur. Dit bracht vaak commotie teweeg, vooral wanneer de gedetineerde ’s nachts bleef schreeuwen en lawaai maken. Mede om die reden werd in 1972 een nieuwe isoleerafdeling gebouwd, als aparte afdeling aan de achterkant van het complex.

Controverses in de jaren 1970 en 1980

In deze periode kwam De Rode Pannen in het nieuws door berichten over hardhandige bejegening van gedetineerden. De voormalige Molukse treinkaper Cornelis Thenu beschreef in zijn boek Korban dat hij in het cellengebouw door een bewaarder, Mulder, zou zijn mishandeld en daarbij het bewustzijn verloor. Volgens Thenu had Mulder een reputatie van een harde fysieke aanpak. Pogingen om het boek uit de handel te nemen bleven zonder resultaat.

Renovatie en latere functie

Na een renovatie in de jaren negentig werd het cellengebouw bestemd voor extreem gevaarlijke gedetineerden, waaronder gevangenen die waren ontsnapt uit een Extra Beveiligde Inrichting (EBI). Tussen 1992 en 2002 werd het oude cellengebouw gebruikt als visitatieruimte voor de gevangenen van de ‘nieuwe’ Rode Pannen. Voorafgaand aan hun plaatsing in verzekerde bewaring werden zij hier gecontroleerd op identiteit, gezondheid en lichamelijke toestand. In dit kader werden sanitaire ruimten en cellen ingericht.

Unit Oude Gracht (2002)

Op 2 februari 2002 trad in Nederland de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers in werking. Deze wet maakte het mogelijk om drugskoeriers onder te brengen in speciale noodvoorzieningen. Als gevolg hiervan werd De Rode Pannen uitgebreid met vijftig mobiele cellen aan de Haulerweg en kreeg het complex formeel de status van Huis van Bewaring. Samen met 34 extra cellen in het bestaande gebouw ontstond een totale capaciteit van 90 cellen. Voor deze uitbreiding werden twintig extra bewaarders aangesteld. De realisatie vond eind 2002 plaats.

Hoewel de noodvoorziening primair bedoeld was voor drugskoeriers, werd zij in de praktijk vooral gebruikt voor kortgestraften en arrestanten uit andere regio’s wanneer elders geen capaciteit beschikbaar was. De meeste drugskoeriers werden dichter bij Schiphol ondergebracht.

Omstreeks 2009 werd de Unit Oude Gracht definitief opgeheven vanwege brandveiligheidsproblemen. De compartimentering van het gebouw voldeed niet aan de eisen, waardoor rook zich bij brand te snel kon verspreiden. In oktober 2015 werd het cellencomplex aan de Haulerweg volledig gesloopt; op de locatie zijn geen zichtbare resten achtergebleven.

Opheffing en huidige situatie

Op 31 maart 2008 vertrok de laatste gedetineerde uit de Rode Pannen. Per 1 januari 2012 heeft het ministerie van Justitie het complex overgedragen aan de Rijksgebouwendienst.[2] Stichting de Nieuwe Rentmeester is sinds 19 april 2021 eigenaar van het complex.

Het Nationaal Gevangenismuseum verzorgt rondleidingen in De Rode Pannen. Ook is het complex gebruikt voor het maken van opnamen voor de televisieserie Overspel, de film Pietje Bell 2: De Jacht op de Tsarenkroon en de YouTubeserie Het Jachtseizoen