De Rapenbloem

De Rapenbloem was een rederijkerskamer te Delft, actief van het einde van de vijftiende eeuw tot het begin van de achttiende eeuw. De kamer voerde het devies Wij Rapen Gheneucht.[1]

Geschiedenis

De Delftse rederijkerskamer kwam voort uit een middeleeuwse religieuze broederschap, waarvan de eerste leden afkomstig waren uit de kring van rederijkers. In 1487 werd deze broederschap, toen nog genaamd De Zoete Naam Jezus, opgericht in de Sint-Ursulakerk, de huidige Nieuwe Kerk. Door de grote stadsbrand van 1536 zijn slechts weinig gegevens overgeleverd.

De vroegst bekende vermelding van de naam De Rapenbloem dateert uit 1546, in een toneelspel van de Leidse rederijkerskamer De Witte Akoleyen, opgevoerd tijdens een bijeenkomst te Gouda.

In haar geschiedenis nam De Rapenbloem deel aan talrijke literaire en theatrale activiteiten. Zo organiseerde zij in 1581 een refreinfeest in Delft, waarbij tien andere kamers uit Holland werden uitgenodigd, en trad zij op bij rederijkerswedstrijden in steden als Gouda (1546) en Vlaardingen (1616). Gijsbrecht van Hogendorp[2] vertegenwoordigde de Delftse kamer bij het rederijkersfeest te Vlaardingen in 1616. Van hem is ook een treurspel over de moord op Willem van Oranje, opgevoerd bij de oprichting van een rederijkerkamer in Amsterdam.[3] In Delft, de stad waar de prins had gewoond, werd vermoord en begraven, genoot dit stuk bijzondere belangstelling en werd het in 1616 meerdere malen opgevoerd.

In de zestiende eeuw kwam de kerkenraad herhaaldelijk in verzet tegen De Rapenbloem. Vanaf 1529 werden voordrachten met religieuze onderwerpen in Delft en omliggende steden aan banden gelegd. In 1539 besloot het bestuur van Holland de rederijkersgezelschappen tijdelijk te verbieden, omdat zij zich niet aan de richtlijnen zouden houden. In 1546 was De Rapenbloem weer actief, en in 1554–1555 werd aan de rederijkers het gebruik van de zolder boven de Waag toegestaan. Vanaf 1575 ondersteunde de stedelijke overheid de rederijkerskamer regelmatig, terwijl de kerkenraad probeerde de leden ervan te overtuigen van het spelen af te zien. In 1605 werden rederijkerspelen in Delft door tussenkomst van de kerkenraad en de Staten van Holland opnieuw stilgelegd.

Na de herstart in 1613 was De Rapenbloem actief met voorstellingen in het Prinsenhof, waarbij een deel van de entreegelden moest worden afgestaan aan de Kamer van Charitate. De stedelijke overheid hield vanaf de heroprichting nauw toezicht op de rederijkerskamer. In 1677 verhuisden de rederijkers uit Delft naar net buiten de Waterslootse Poort, buiten de Delftse jurisdictie.

In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw kregen de rederijkersfeesten geleidelijk een ander karakter. Naast literaire activiteiten kregen spelen als vaandelzwaaien, kaatsen, touwtrekken, kaarten en katknuppelen een plaats.

De laatst bekende vermelding van De Rapenbloem dateert van 26 december 1726.