De hut van Oom Tom

De hut van Oom Tom
Uncle Tom's Cabin, Boston-editie
Uncle Tom's Cabin, Boston-editie
Oorspronkelijke titel Uncle Tom's Cabin; or, Life Among the Lowly
Auteur(s) Harriet Beecher Stowe
Illustrator Hammatt Billings (1ste editie)
Land Verenigde Staten
Oorspronkelijke taal Engels
Onderwerp Slavernij
Genre activistische literatuur, sentimentele roman, tendensroman
Uitgever The National EraBewerken op Wikidata
Uitgegeven 20 maart 1852 (The National Era (reeks) & John P. Jewett and Company (in twee delen))
Vervolg A Key to Uncle Tom's Cabin (1853)
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De hut van Oom Tom (ook De negerhut of De negerhut van Oom Tom) van Harriet Beecher Stowe is een van de bekendste boeken uit de canon van de Amerikaanse literatuur. Het is voor alles een tendensroman en een aanklacht tegen de destijds nog niet afgeschafte slavernij. Centraal staan de lotgevallen van een aantal slaven in en rondom een plantage ergens in de Amerikaanse staat Kentucky.

De roman werd in 1852 gepubliceerd, nadat hij eerst tussen 1851 en 1852 als feuilleton was verschenen.

Achtergronden

Beecher Stowe haalde voor het verhaal onder meer inspiratie uit de lotgevallen van de prediker Reverend Josiah Henson en zijn werk voor de Underground Railroad.[1] Ze schreef de roman in de eerste plaats uit onvrede over de Fugitive Slave Act van 1850, die het uitleveren van ontsnapte slaven aan hun eigenaren dwingender maakte.[2] Ze gebruikte royalty's ervan om een petitie tegen de Kansas-Nebraska Act te helpen organiseren.[3]

Uncle Tom's Cabin geldt als de eerste grote – en uiteindelijk ook goeddeels geslaagde – poging om het brede publiek in de Verenigde Staten en elders te wijzen op de immorele en mensonterende praktijken van de slavernij en slavenhandel in de Verenigde Staten. Het verhaal focust op de wrede kanten van de slavernij en hoe erg de meeste hoofdpersonen hieronder lijden, ook al wordt dit laatste door iedereen inclusief henzelf verdoezeld.

In het verhaal zelf wordt enerzijds erkend dat veel meesters hun slaven goed behandelen. Deze slaven lopen door hun ondergeschikte positie echter wel het risico dat ze (wegens geldgebrek of overlijden van de eigenaar) verkocht worden aan slechte meesters, waarbij ouders en kinderen bovendien van elkaar gescheiden worden.

Titel

De oorspronkelijke titel is Uncle Tom's Cabin or Life Among the Lowly, letterlijk Oom Toms hut of leven onder de nederigen. In het Nederlands werd het boek aanvankelijk uitgegeven als De negerhut en later als De negerhut van Oom Tom. Waarom de titel niet, net als in andere talen, letterlijk vertaald is, is onbekend. De titel De hut van Oom Tom komt in het Nederlands ten minste sinds 1853 voor,[4] maar wordt pas sinds begin jaren 1980 algemeen gebruikt. De versie met het woord negerhut in de titel werd in 1982 voor het laatst gedrukt, tegenwoordig is De hut van Oom Tom gebruikelijk.

Verhaal

Litho uit 1852, waarop de dood van Eva is uitgebeeld
Simon Legree bedreigt Oom Tom (bron: projectie uit een toverlantaarn, ca. 1885)

Er zijn twee hoofdverhaallijnen. Een ervan is het verhaal van de slaaf Oom Tom, die door een voor hemzelf ongunstige samenloop van omstandigheden uiteindelijk belandt op de katoenplantage van Simon Legree. Het andere verhaal is dat van het echtpaar George en Eliza Harris, twee ontsnapte slaven die samen met hun jonge zoontje Harry naar Canada weten te vluchten. Tevens worden ze aan het eind herenigd met een deel van hun familie.

Het verhaal begint met de moeilijke financiële situatie van de Shelby's. Arthur Shelby ziet zich gedwongen om zijn trouwste slaaf Tom (door iedereen "Oom Tom" genoemd) en Eliza's zoontje Harry te verkopen aan de enkel op rijkdom beluste slavenhandelaar Haley. Eliza slaagt erin om met Harry te vluchten, waarna ze bij de senator Bird belandt, die haar verder helpt. Op ongeveer hetzelfde moment vlucht ook Eliza's man, George Harris: hij is slaaf van een andere eigenaar die hem slecht behandelt, en is door diegene verhuurd aan een zeildoekfabriek waar hij zelf een machine heeft uitgevonden om hennep te zuiveren. George had het in de fabriek naar zijn zin, maar wordt nu door zijn meester teruggeroepen. Hij ontsnapt met hulp van mr. Wilson, de eigenaar van de fabriek waar hij werkte. Eliza ontsnapt samen met Harry over de bevroren Ohio. Zij en George vinden elkaar terug en besluiten om samen te proberen in Canada te komen. Ze worden achtervolgd door een groep slavenjagers die in opdracht van Haley achter hen aan zijn gestuurd, onder leiding van Tom Loker. Bij de achtervolging raakt Loker gewond door een val in een ravijn, waarna Eliza en George zich over hem ontfermen. Ze laten hem voor verzorging bij de Quakers achter.

Oom Tom wordt door Haley gekocht en weggehaald bij zijn vrouw Chloe en zijn drie kinderen. Hij vindt het weliswaar vreselijk, maar verzet zich op geen enkele manier. Hij wordt meegenomen in een boot over de Mississippi, in de richting van de gevreesde katoenplantages. Aan boord redt hij een jong meisje genaamd Evangeline (door iedereen Eva genoemd) van de verdrinkingsdood. Eva haalt uit dankbaarheid haar vader, de welgestelde en goede slavenhouder Augustine St. Clare, over om Tom te kopen. Bij de St. Clares in New Orleans wordt Tom zeer goed behandeld: hij krijgt een eigen kamer, mag zijn bijbel die hij uit Kentucky heeft weten mee te nemen houden, en hij mag een brief naar zijn familie schrijven. Marie St. Clare, Eva's moeder en de echtgenote van Augustine, denkt alleen maar aan zichzelf en zou de slaven het liefst compleet uitbuiten, maar zij heeft vanwege het gezag van haar man in huis weinig te zeggen. Tom ontwikkelt een zeer hechte band met Eva, die net als hijzelf zeer gelovig is. Eva heeft echter een erg zwak gestel en sterft op een gegeven moment door uitputting, waarna Tom zich meer dan voorheen gaat bekommeren om zijn nu zwaar depressieve meester, met wie hij eveneens een goede band heeft opgebouwd. Augustine is mede door de dood van zijn dochter tot nieuwe inzichten gekomen en belooft Tom en al zijn andere slaven nu snel vrij te zullen laten. Hij sterft echter korte tijd later, nadat hij in een café een zware dolksteek heeft gekregen. Tom en de andere slaven van de St. Clares zijn nu compleet overgeleverd aan de onverbiddelijke Marie, die besluit hen allemaal te verkopen. Hiermee is voor Tom alle hoop om snel weer bij zijn familie in Kentucky te zijn dus weer vervlogen. Voordat Tom wordt verkocht, wil Ophelia toch nog iets voor hem doen. Ze schrijft daarom een brief aan de Shelby's, waarin ze hen op de hoogte brengt van Toms situatie.

Na de veiling in het slavenmagazijn belanden Tom en het meisje Emmeline in Louisana bij de zeer wrede plantagehouder Simon Legree, die zijn slaven op de ergst denkbare manieren behandelt. Hoewel Tom een goede en gehoorzame kracht is, weigert hij om op bevel van Legree een andere slaaf af te ranselen, waarna Tom zelf wordt afgetuigd door Legrees knechten Sambo en Quimbo. Tom helpt soms ongemerkt andere slaven op Legrees plantage bij het extreem zware werk. Later verzwijgt Tom tegenover Legree hoe Cassy – een vrouw die eveneens door Tom werd geholpen bij het katoenplukken en die hem verzorgde toen Tom was afgetuigd – en Emmeline de plantage van Legree zijn ontvlucht. Legree laat Tom een hele nacht afranselen door Sambo en Quimbo in de hoop dat Tom de schuilplaats van de twee vrouwen zal verraden, maar Tom blijft zwijgen. George Shelby, de zoon van de inmiddels overleden plantagehouder, is inmiddels naar aanleiding van de brief van Ophelia afgereisd naar New Orleans om Tom te zoeken. Hij is nog net op tijd op de plantage van Legree om Tom levend aan te treffen. Tom sterft korte tijd later aan zijn verwondingen, terwijl George naast hem zit. Legree hoeft geen geld van George voor het lichaam van Tom, omdat hij zijn slaven enkel als "wegwerpproducten" ziet.

George begraaft Tom in een zandheuvel en keert hierna terug naar Kentucky, om het slechte nieuws aan Chloe en Toms kinderen te vertellen. Aangezien Arthur Shelby is overleden, is de plantage nu van George Shelby zelf. George besluit al zijn slaven vrij te laten; hij is zo verontwaardigd door wat hij op de plantage van Legree heeft gezien, dat hij zich nu volledig van de slavernij besluit af te keren.

Na hun geslaagde vlucht ontmoeten Cassy en Emmeline op de boot de zus van George Harris, Emily. Met z'n drieën reizen ze naar Canada, waar Cassy ontdekt dat Eliza haar eigen dochter is, van wie ze vroeger werd gescheiden toen beiden werden verkocht. Nu de familie is verenigd reizen ze door naar Frankrijk en vervolgens naar Liberia, waar ook de eveneens verkochte zoon van Cassy wordt teruggevonden.

De titel van het boek wordt aan het einde verklaard: George Shelby wijst naar de hut waar Oom Tom woonde voordat hij verkocht werd. Hij beschouwt het huisje als een monument voor de trouwe slaaf.

Belangrijke personages

Slaven

Tom
Een eerlijke en hardwerkende slaaf van middelbare leeftijd. Hij is vooral ook een strikt gelovige christen, die heel vaak bidt en veelvuldig passages uit de bijbel leest en aanhaalt. Hij weigert nimmer een bevel van iemand, zolang het niet in strijd is met zijn eigen geweten. Toms oorspronkelijke meester, Arthur Shelby, is wegens geldgebrek gedwongen hem te verkopen. Hij komt daarna eerst terecht bij de St. Clares in New Orleans, waar hij het misschien nog wel beter heeft dan bij de Shelby's. Hij blijft echter intens naar zijn oude huis met zijn gezin in Kentucky verlangen. Na de plotselinge dood van zijn meester St. Clare wordt hij overgekocht door Simon Legree, die hem zeer slecht behandelt en uiteindelijk laat doodmartelen. Tom doorstaat dit alles, in de overtuiging dat Gods koninkrijk hierna voor hem zal openstaan. Hij gunt zelfs zijn zeer slechte meester tot het laatst (tevergeefs) dat die tot inkeer komt en zo vergeving van God zal krijgen.
Chloe
De vrouw van Oom Tom, met wie ze aan het begin van het verhaal in Kentucky woont samen met hun drie kinderen. Ze vervult de rol van huisvrouw en kan uitstekend koken. Nadat Tom bij haar is weggehaald spaart ze geld om hem terug te kunnen kopen. Uiteindelijk krijgt ze van George Shelby te horen dat haar man op de plantage is omgekomen, waarna ze compleet instort.
Eliza vlucht met haar zoontje over de ijsschotsen (litho, 1899)
Eliza
De kamenier van mevrouw Shelby. Ze heeft van haar meesteres een goede opleiding gekregen. Ze slaat met haar zoontje Harry op de vlucht voor de slavenhandelaar Haley; die haar achtervolgt. De rivier Ohio kan niet overgestoken worden; wegens ijsgang is de veerboot uit de vaart genomen. Eliza springt met al haar krachten over de ijsschotsen naar de overkant. Ze is nu voorlopig veilig, want Haley is niet bij machte om ditzelfde te doen. Eliza komt hierna terecht bij Quakers, die haar met liefde verder helpen.
George Harris
De man van Eliza en vader van Harry. Hij is een mulat. Hij is zeer intelligent en een uitvinder. Hij is ook de slaaf van een andere meester die hem mishandelt en vernedert. George besluit ongeveer op hetzelfde moment als Eliza te vluchten. Onderweg ontmoet hij Eliza weer en samen reizen ze door naar het vrije Canada. Later bouwt hij, met zijn gezin, zijn zus en zijn schoonmoeder, een nieuw bestaan op in Liberia.
Topsy
Een meisje van acht of negen jaar. Ze wordt door haar eerste meester in New Orleans mishandeld en verwaarloosd. St. Clare koopt haar uit medelijden en geeft haar aan Ophelia. Ze zit vol kattenkwaad en het valt niet mee haar op te voeden. Pas na een terechtwijzing door Eva, die kort daarna overlijdt, betert Topsy haar leven. Later wordt ze zendelinge.
Cassy
De mulatdochter van een rijke blanke en een slavin. Ze groeit als vrije burger op en het ontbreekt haar aan niets, maar officieel staat ze als slavin geregistreerd. Als haar vader overlijdt, wordt ze verkocht aan de bullebak Simon Legree. Ze verzorgt Tom op diens sterfbed. Met haar intelligentie en goede opleiding heeft ze een zeker overwicht over Legree en ze slaagt er zelfs in te ontsnappen. Uiteindelijk blijkt dat ze de moeder is van Eliza.
Quimbo en Sambo
Twee slaven die als opzichters zijn aangesteld op de plantage van Simon Legree. Zij verklappen aan hun meester dat Tom andere slaven heeft geholpen en ze houden Tom in bedwang terwijl die wordt afgeranseld door Legree. Tegen het einde krijgen ze spijt van hun daden, als duidelijk wordt dat Tom zijn verwondingen niet zal overleven. De stervende Tom vergeeft Sambo en Quimbo zelfs op dat moment alles, waarna ze beiden diep berouw krijgen en tot geloof komen.

Vrijen

Arthur en Emily Shelby
Slavenhouders in Kentucky. Ze behandelen hun slaven goed. Door geldgebrek zien ze zich echter gedwongen om Oom Tom en de kleine Harry te verkopen.
George Shelby
De zoon van het echtpaar Shelby. Aan het begin van het verhaal is hij 13. Hij kan uitstekend opschieten met "Oom" Tom en "Tante" Chloe en is dan ook zeer verontwaardigd als Tom verkocht wordt. Later reist hij met het door Chloe gespaarde geld naar de plantage van Legree om Tom terug te kopen. Hij arriveert net voordat de zwaar mishandelde Tom sterft. George beslist na thuiskomst dat al zijn slaven vrijgemaakt moeten worden, waarna ze als werknemers in dienst blijven.
Haley
Een doortrapte slavenhandelaar die Tom en Harry koopt. Hij wordt als een ongemanierde kerel voorgesteld. Hij brengt Tom naar New Orleans.
Tom Loker
Een slavenjager die door Haley wordt ingehuurd om Eliza, George en Harry te vangen. Als Loker met een aantal makkers de drie achtervolgt, worden ze in een hinderlaag gelokt. Tom Loker valt in een ravijn, zijn makkers nemen de vlucht. Eliza en George brengen de gewonde Tom naar een huis van Quakers waar hij verzorgd wordt. Loker keert zich af van zijn vroegere kameraden nu ze hem in de steek hebben gelaten, en schaart zich in plaats daarvan aan de kant van Eliza en George. Hij helpt hen op weg door aanwijzingen te geven hoe ze Canada veilig kunnen bereiken.
Evangeline (Eva) St. Clare
Een vrolijk en teerhartig meisje van zes jaar dat op de boot naar New Orleans kennismaakt met Tom en meteen met hem bevriend raakt. Als Eva overboord valt, wordt ze door Tom gered. Haar vader besluit Tom te kopen. Eva heeft, evenals Tom, een rotsvast christelijk geloof (dit in tegenstelling tot haar beide ouders). Ze heeft bovendien als een van de weinige vrijen in het verhaal medelijden met alle slaven, en is diep begaan met het lot van Prue, de vrouw die het brood bij de St.Clares aflevert en later wegens dronkenschap wordt doodgeslagen, nadat ze eerst haar kind is verloren.[5] Wanneer St. Clares broer Alfred en diens zoontje Henrique op bezoek zijn en Henrique een slaaf mishandelt, wordt hij door Eva ter verantwoording geroepen. Eva probeert de andere slaven van de St. Clares zover te krijgen dat ze ook gelovig worden. Ze overlijdt ten slotte door haar te zwakke lichamelijke gestel.
Augustine St. Clare
Een rijke slavenhouder in New Orleans en Eva's vader. Hij behandelt zijn slaven goed. Eigenlijk heeft hij een diepe afkeer van het hele systeem van de slavernij, maar toch doet hij eraan mee, wellicht omdat hij anders niet goed op eigen benen zou kunnen staan.[6] Hij voelt zich hier soms duidelijk schuldig over; in een diepgaand gesprek met Ophelia legt hij uit dat het hele slavernijsysteem in feite een vreselijk machtsmisbruik is, dat straffeloos in stand blijft doordat mensen als hijzelf het veel milder gebruiken dan het is.[7] In tegenstelling tot zijn naaste familieleden is hij zelf niet christelijk, maar via Tom komt hij gaandeweg steeds meer over de Bijbel en het christendom te weten en ondergaat uiteindelijk toch een soort bekering. Hij neemt zich na de dood van zijn dochter voor om al zijn slaven in vrijheid te stellen, maar overlijdt door een ongelukkig toeval net voordat de daarvoor benodigde documenten getekend kunnen worden.
Marie St. Clare
De echtgenote van Augustine. Het is geen goed huwelijk; St. Clare trouwde met haar nadat hij als gevolg van een misverstand het contact met zijn werkelijke geliefde was verloren.[8] Marie is duidelijk hypochondrisch; ze verbeeldt zich dat ze altijd moe of ziek is en beklaagt zich meteen als de slaven ook maar één moment van de dag of nacht niet voor haar klaarstaan. Na de dood van eerst haar dochter en vervolgens haar man is Marie zelf de baas in huis, waardoor de slaven nu een veel slechtere behandeling krijgen, inclusief afranselingen. Marie besluit uiteindelijk om de wens van Augustine en Eva – dat de slaven allemaal zouden vrijkomen – geheel te negeren; in plaats daarvan verkoopt ze alle slaven, hoewel Ophelia tot het laatste moment Marie probeert te overtuigen om dit niet te doen.
Ophelia St. Clare
De nicht van Augustine. Ze wordt door hem vanuit het noorden naar New Orleans gehaald om wat meer orde te brengen in het rommelige huishouden en om bij te springen als nanny voor Eva. Ophelia is zelf geen slavenhoudster, maar heeft vooral een sterke afkeer van donkere mensen en kan slecht verdragen dat Eva door de slaven geknuffeld wordt. Augustine geeft haar, ogenschijnlijk om te plagen, het zwarte meisje Topsy cadeau. Tussen Ophelia en Topsy ontstaat geleidelijk aan een sterke vriendschapsband en Ophelia overwint uiteindelijk haar raciale angst. Net als veel anderen in het verhaal is Ophelia streng gelovig.[5]
Simon Legree
Een gewetenloze slavenhouder die de leiding heeft over een grote katoenplantage in Louisana. In zijn jeugdjaren heeft hij enige tijd op zee rondgezworven, om zich uiteindelijk te vestigen als plantagehouder, waarbij hij in de voetsporen van zijn zeer wrede vader trad. Legree beult zijn slaven genadeloos af en als ze daardoor eerder doodgaan, koopt hij meteen weer nieuwe; hij ziet hen in feite puur als gebruiksvoorwerpen. Legree heeft goede verwachtingen van zijn nieuwe slaaf Tom, die sterk is en bijzonder hard werkt, en hoopt zelfs dat Tom opzichter zal worden. Zijn verwachtingen veranderen als blijkt dat Tom niet mee wil werken aan de geseling van andere slaven en aan het opsporen van slaven die ontsnapt zijn. Legree wordt onwillekeurig herinnerd aan zijn eigen moeder (die veel verdriet had toen hij van het rechte pad afweek) als hij Toms bezittingen in beslag neemt en een haarlok van Eva ziet; Legrees moeder had hem bij haar overlijden ook een haarlok nagelaten, die hij uit afkeer verbrandde. Uiteindelijk wordt Legree krankzinnig als het Cassy (die hij gebruikt als seksslavin) en Emmeline dankzij Oom Toms medewerking lukt om de plantage te ontvluchten. Hij krijgt last van waandenkbeelden en uiteindelijk bezwijkt hij aan zijn enorme alcoholverslaving.

Ontvangst en kritiek

Het boek werd een internationale bestseller, een standaardwerk van de abolitionistische beweging. In de slavenhoudende staten in het Zuiden van de Verenigde Staten werd het daarentegen geboycot en gecensureerd. Stowe schreef zelf twee jaar later A Key to Uncle Tom's Cabin, waarin ze probeerde aan te tonen dat Uncle Tom's Cabin een feitelijk juiste weergave van de werkelijkheid was.[9]:58

Ook in het Rusland van tsaar Nicolaas I, waar de lijfeigenschap ter discussie stond, lag het boek gevoelig. Het duurde tot 1857 vooraleer hier een vertaling kon uitkomen.[10]

De roman is tevens een van de eerste voorbeelden van een campagne op grote schaal door middel van een massacommunicatiemedium (de drukpers) door een belangengroepering in de moderne geschiedenis.

In de jaren '60 en '70 van de 20e eeuw kwam het boek echter opnieuw onder vuur te liggen, deze keer omdat het een stereotiep en racistisch beeld zou ophangen door de meeste zwarte personages voor te stellen als passieve wezens die zouden moeten worden (her)opgevoed.[11] Tegen dit beeld werd ingebracht dat Oom Tom stoïcijns is maar niet onderdanig. Ook werd erop gewezen dat Stowe met George Harris een opstandig en provocerend personage had geschapen, dat zijn vrijheid veroverde en niet langer voor een Amerikaan wenste door te gaan. In het algemeen komen de zwarte personages minder aan bod en zijn ze psychologisch vlakker dan de witte personages.[11] De subversieve kracht van het boek zat vooral in de revolutionaire onderwerpkeuze en in het vermogen om verontwaardiging op te wekken.

Nagelaten sporen en invloeden

In de taal

De benaming Uncle Tom heeft zich ontwikkeld tot een scheldwoord voor Afro-Amerikanen die (met name door het blanke deel van de bevolking) veel te veel over zich heen lieten lopen[12] en zich braaf en gedienstig lieten vernederen in de hoop op lotsverbetering.[11] Dit scheldwoord lag speciaal in de mond bestorven van de Black Muslims om burgerrechtenactivisten te hekelen die in hun ogen te gematigd waren, zoals Martin Luther King.

Het "Oom-Tom-syndroom" is een eigen psychologische term geworden.[13]

Politieke invloeden

Het werk beïnvloedde de heersende opvattingen over slavernij in verregaande mate. Het heeft (zij het niet helemaal rechtstreeks) een belangrijke rol gespeeld bij de afschaffing van de slavernij in de VS, en wordt door analytici vaak gezien als het boek met de meeste politieke invloed in de Verenigde Staten van de 19e eeuw. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog ontving president Lincoln naar verluidt de auteur in het Witte Huis met de woorden: So you're the little woman who wrote the book that started this great war ("Dit is dus de kleine dame die met haar boek deze grote oorlog heeft veroorzaakt").[11][9]:100

Historische hut

In North Bethesda, een buitenwijk van Washington, staat het Riley-Bolten House. Een van de vroegere eigenaars was Isaac Riley, die de slaaf Josiah Henson bezat toen die daar woonde. Henson werkte op de plantage aan zijn autobiografie, The Life of Josiah Henson, Formerly a Slave, en die stond model voor Uncle Tom's Cabin. Om deze reden wordt het huis plaatselijk Uncle Tom's Cabin genoemd. In 2006 kocht het bestuur van Montgomery County het huis voor 1 miljoen dollar om het te behouden voor de toekomst.[14] Er is echter twijfel of het bestaande huis wel echt hetzelfde is als het huis waar Henson leefde.[15]

Nederlandse vertalingen en bewerkingen

Het boek werd in 1852, het jaar van verschijning, in het Nederlands vertaald door C.M. Mensing (1812-1883), onder de titel De negerhut (Uncle Tom's Cabin). Een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika. Vanaf november 1852 werd het boek eerst, zoals in die tijd vaker gebeurde, in afleveringen gepubliceerd. In 1853 kwamen er in Nederland verschillende drukken en uitgaven van de pers, waaronder een editie voor kinderen: Een kijkje in de hut van oom Tom door Tante Marie, voor hare neefjes en nichtjes; met eene toespraak van de schrijfster, H. Beecher-Stowe, aan de jeugd; uit het Engelsch door A.G. Bruinses.

In totaal zijn er meer dan veertig vertalingen en bewerkingen van het boek verschenen in het Nederlands, waaronder:[16]

Film- en toneeladaptaties

Cavendish Morton (1874-1939) als Oom Tom

Het boek is talloze malen verfilmd, vaak met enige aanpassing van de verhaallijnen. Een selectie:

Ook werden er al bijna meteen na het uitkomen van het boek aan toneelbewerkingen voor theater opgevoerd.

Zie ook