De Méan

De Méan was een Zuid-Nederlandse adellijke familie.
Geschiedenis
De familie de Méan speelde gedurende verschillende eeuwen een belangrijke rol in het prinsbisdom Luik, alsook in de stad Luik. In 1648 verleende keizer Ferdinand III erfelijke adel aan Karel de Méan, heer van Atrin.
In 1694 verleende keizer Leopold I de titel van baron de Méan, baron van het Heilig Roomse Rijk, aan Pierre de Méan en zijn vier broers, onder wie Jan Ferdinand de Méan.
In 1745 verleende de keurvorst van Beieren, Maximiliaan III, de titel graaf de Méan de Beaurieux aan baron Pierre de Méan, vader van François-Antoine (hieronder).
Genealogie
- François-Antoine de Méan de Beaurieux (1724-1784), trouwde in 1752 met gravin Elisabeth van Hoensbroeck (1722-1782). Ze kregen drie zoons.
- Graaf Pierre de Méan de Beaurieux (1753-1802), keizerlijk kamerheer, burgemeester van Luik, erekanunnik van de Sint-Lambertuskathedraal, trouwde in 1784 in Wenen met gravin Marie-Aloïse von Wrbna und Freudenthal (1756-1833). Ze kregen een zoon en een dochter.
- Graaf Eugène de Méan de Beaurieux (1789-1876), kamerheer van koning Willem I der Nederlanden, lid van het Nationaal Congres en senator. Hij bleef vrijgezel. In 1816, ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, werd hij erkend in de erfelijke adel met de titel graaf, overdraagbaar op alle afstammelingen en benoeming in de Ridderschap van Luik.
- Françoise de Méan de Beaurieux (1792-1869), trouwde in 1810 in Luik met baron Constantin de Copis (1787-1857), kamerheer van koning Willem I der Nederlanden, gemeenteraadslid van Luik en lid van de Provinciale Staten van Luik. Ze kregen vier dochters, met afstammelingen tot heden.
- Prins François-Antoine-Marie de Méan (1756-1831), tijdens het ancien régime prins-bisschop van Luik, onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden primaat van de Nederlanden en nadien België. Van 1816 tot 1819 was hij lid van de Eerste Kamer. In 1816 werd hij erkend in de erfelijke adel met de titel graaf en benoemd in de Ridderschap van Luik.
- Graaf César Constantin de Méan (1759-1833), kanunnik van de Sint-Lambertuskathedraal, grootkanselier van de prins-bisschop, proost van de Sint-Jacobskerk en voorzitter van de Rekenkamer. In het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd hij lid van de Provinciale Staten van Luik en kamerheer van koning Willem I. In 1816 werd hij erkend in de erfelijke adel met de titel graaf en werd benoemd in de Ridderschap van Luik.
- Graaf Pierre de Méan de Beaurieux (1753-1802), keizerlijk kamerheer, burgemeester van Luik, erekanunnik van de Sint-Lambertuskathedraal, trouwde in 1784 in Wenen met gravin Marie-Aloïse von Wrbna und Freudenthal (1756-1833). Ze kregen een zoon en een dochter.
In 1876 betekende het overlijden van Eugène de Méan de Beaurieux het uitdoven van de familie de Méan.
Residenties

- Vanaf de 16de eeuw resideerden de Méans in het hof of kasteel in Zichen-Zussen-Bolder dat hun naam droeg.
- In Luik bewoonden ze het weelderige Hotel de Méan.
- In Saive stond een aanzienlijk kasteel dat als buitenverblijf voor de familie de Méan diende. Jean Ernst de Méan kocht het kasteel in 1692.
Externe links
Literatuur
- 'Généalogie Méan', in Annuaire de la noblesse de Belgique, Brussel, 1848.
- Oscar COOMANS DE BRACHÈNE, État présent de la noblesse belge, Annuaire 1993, Brussel, 1993.