Daniellia ogea

Daniellia ogea
IUCN-status: Gevoelig[1] (2020)
Daniellia ogea
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (Planten)
Stam:Embryophyta (Landplanten)
Klasse:Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade:Bedektzadigen
Clade:'Nieuwe' tweezaadlobbigen
Clade:Fabiden
Orde:Fabales
Familie:Leguminosae (Vlinderbloemenfamilie)
Onderfamilie:Detarioideae
Geslachtengroep:Detarieae
Geslacht:Daniellia
Soort
Daniellia ogea
(Harms) Rolfe ex Holland (1911)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Daniellia ogea op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Daniellia ogea is een soort uit de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae). Het is een grote loofboom die een groeihoogte tot 45 meter kan bereiken. De rechte en cilindrische stam kan 20 tot 30 meter takvrij zijn en heeft een diameter van ongeveer 125 centimeter. Aan de basis van de stam zijn zeer korte ronde wortellijsten.

De soort komt voor in de tropische delen van West-Afrika en westelijk Centraal-Afrika, van Senegal tot in Gabon.[2] Hij groeit daar in zowel groenblijvende als vochtige half bladverliezende bosgebieden en in de buurt van waterbronnen, op hoogtes tussen 10 en 800 meter. De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN geklasseerd als 'gevoelig'.[1]

De boom wordt in het wild geoogst voor lokaal gebruik als medicijn en als bron van hout en gom. De gom wordt gekauwd en gebruikt als laxeermiddel. Verder wordt de gekauwde gom gecombineerd met de bloemen van Tacca leontopetaloides gebruikt als inwrijfmiddel tegen slangengif. Verder wordt de gom ook gebruikt als vernis, om kleding te parfumeren en voor cosmetische zalven.

Uit de stam wordt een bruine geurige balsem of oleohars gewonnen, bekend onder benamingen als Benin copal of Accra copal. Het wordt gebruikt als vervalsingsmiddel voor copaibabalsem (van Copaifera-soorten), als materiaal voor fakkels en om afgesloten ruimtes te ontsmetten. Het hout wordt gebruikt voor timmerwerk en meubelonderdelen.[3]