Compagnie foncière, agricole et pastorale du Congo

De Compagnie foncière, agricole et pastorale du Congo, kortweg de Pastorale, was een Belgische landbouwonderneming actief in Belgisch-Congo.

Geschiedenis

De Pastorale werd opgericht op 23 november 1909 op initiatief van koning Leopold II, kort voor zijn overlijden een maand later. Het doel van de onderneming was de ontwikkeling van een landbouwkolonisatie in de provincie Katanga (provincie). De vennootschap had een startkapitaal van 1 miljoen BEF en werd gesteund door een selecte groep uit de haute finance, onder wie de industriëlen Ernest Solvay, Evence Coppée en Léon Mondron en vanuit de Société générale de Belgique Joseph Devolder, Jean Jadot en Édouard Empain. De betrokkenheid van deze figuren weerspiegelde het nauwe verband tussen economische belangen en koloniale expansie in Belgisch-Congo. De Pastorale wilde zowel bijdragen aan de bevoorrading van de Europese mijnbouwsector als de Belgische aanwezigheid in de regio versterken.

In 1910 organiseerde de vennootschap twee verkenningsmissies, onder leiding van landbouwingenieur Adrien Hock en zoöloog Léopold Frateur. Hun rapporten wezen op de grote moeilijkheden bij het opzetten van landbouw in Katanga, waaronder het tekort aan Congolese arbeidskrachten en de dreiging van de tseetseevlieg.

Desondanks verkreeg de Pastorale van het Comité spécial du Katanga (CSK) een concessie van 75.000 hectare, later uitgebreid tot 150.000 hectare. In hetzelfde jaar werd de eerste boerderij opgericht. De onderneming stuurde 35 kolonisten, onder wie twee vrouwen, naar Katanga. De modelboerderij omvatte 40 hectare groenten- en fruitteelt, en hield verschillende soorten vee zoals runderen, ezels, schapen, geiten en pluimvee. Naast deze boerderij werden ook andere landbouwbedrijven opgericht, de Luabala-kraal en Katenntania. Tegen 1911 telde de Pastorale een veestapel van ongeveer 700 runderen.

De werking van de Pastorale verliep moeizaam. De onderneming trok vooral gelukzoekers aan, van wie velen snel vertrokken naar België of Élisabethville wegens zware werkomstandigheden en een tekort aan arbeidskrachten. Veeziekten en financiële problemen verergerden de situatie. In 1911 werd nog geprobeerd de activiteiten te hervatten met nieuwe kolonisten, maar zonder succes. Op 30 juli 1912 werd de vennootschap ontbonden. Bezittingen en vee werden voor 685.000 BEF aan de Belgische Staat verkocht, die de landbouwkolonisatie voortaan zelf organiseerde.

Een gelijkaardig initiatief was de Mission agricole van Edmond Leplae, eveneens in Katanga.

Literatuur

  • 'Colonisation du Katanga', in Revue congolaise, 1910-1911, 400.
  • 'Le rachat par l'État des propriétés agricoles de la Pastorale au Katanga', in La Tribune congolaise, 1912, nr. 14.
  • Charlotte VEKEMANS en Yves SEGERS, ''Pénétration pacifique' en agrarische ontwikkeling. Landbouwkolonisatie in Katanga, 1910-1920', in Journal of Belgian History 48, 2018, nr. 4, 44-47.
  • Charlotte VEKEMANS en Yves SEGERS, 'Settler farming, agricultural colonisation and development in Katanga (Belgian Congo), 1910-1920', in Historia Agraria 81, 2020, 203-205.