Commissie King-Crane

De Commissie King-Crane (Engels: King-Crane Commission), officieel de (Inter-)Geallieerde Commissie voor Mandaten in Turkije van 1919, was een voornamelijk Amerikaanse onderzoekscommissie naar de indeling van gebieden binnen het voormalige Ottomaanse Rijk.

Geschiedenis

De Amerikaanse president Woodrow Wilson had in januari 1917 zijn veertien-puntenplan ontvouwd, met als onderdeel het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren. Hij zond in 1919 een onderzoekscommissie onder leiding van Herbert King, theoloog en president van het Oberlin College, en Charles Crane, zakenman en arabist, naar de landen in het Midden-Oosten, waaronder Palestina, om een onderzoek te doen naar de meningen van de daar woonachtige Palestijns-Arabische bevolking over wie volgens deze het mandaat van de op te richten Volkenbond moest krijgen.

De commissie begon als een uitvloeisel van de Vredesconferentie van Parijs in 1919. Zij bezocht gebieden in Palestina, Syrië, Libanon en Anatolië, ondervroeg de lokale publieke opinie en beoordeelde haar mening over de beste manier van optreden voor de diverse regio's.

De commissieleden kwam tot de bevinding dat de meerderheid van de Arabische bevolking in Palestina tegen de Balfourverklaring was en dat men graag wilde dat de VS het mandaat kreeg en niet de Britten. De Britten immers wilden het land aan de zionisten geven om daarin een Joods Nationaal Tehuis te vestigen en de bevolking zag reeds hoe zij de zionistische zaak in hun land aan het bevorderen waren. De commissie voorzag dat de vestiging van een Joods nationaal tehuis gepaard zou gaan met veel wapengeweld, en trok de conclusie dat het zionistisch streven ingeperkt moest worden om recht te doen aan het zelfbeschikkingsrecht van de Arabieren. Ze adviseerde om Groot-Syrië ongedeeld onder mandaat te stellen van de Verenigde Staten en daarbinnen ook enige ruimte beschikbaar te maken voor een Joods Tehuis.[1]

President Wilson zag het rapport van de commissie en haar aanbevelingen echter nooit. Hij werd ziek en kon niet meer functioneren als president. Het rapport verdween in een la en werd pas in 1922 (door een krant) gepubliceerd.[2]