Clara van Eyck
Clara Cornelia Van Eijck (Amsterdam 11 november 1751 – Utrecht, 19 juni 1810) was een Nederlandse burgeres, gekend om haar dagboek dat ze tijdens haar ballingschap in Gent schreef gedurende de Brabantse Omwenteling. Naast een verslag over de gevolgen van de politieke gebeurtenissen voor de gewone burger geeft het dagboek ook een kijk op de genderverhoudingen en rolpatronen op het eind van de 18de eeuw, een uniek document om de theorie van de Verlichting te toetsen aan de praktijk.
Levensloop
Clara werd geboren in Amsterdam op 11 november 1751, als dochter van de Goudse patriciër Jan Cornelis van Eijck en zijn vrouw Adriana Wilhelmina van der Hoeve. Zij werd gedoopt in Gouda (in de Nederduits-gereformeerde kerk, op 12 november 1751) en groeide er op.[1]
Clara trouwde op 3 juni 1781 met Pieter Marret, lid van de Patriotische Vroedschap (het College van burgemeester en wethouders) in Utrecht. Het huwelijk bleef kinderloos.
In de periode 1780-1800 beleefden de Noordelijke Nederlanden woelige tijden, door de felle strijd tussen de voor- en tegenstanders van het Huis van Oranje: de orangisten (voorstanders) en de patriotten (tegenstanders die meer democratisering wilden). In 1787 werd de patriottische Vroedschap uit Utrecht verdreven. Zoals veel van hun landgenoten vluchtten Pieter Marret en zijn vrouw Clara, naar Antwerpen, in de Zuidelijke Nederlanden, waar keizer Jozef II bereid was de niet onbemiddelde vluchtelingen op te nemen.
Maar ook in de Zuidelijke Nederlanden heerste onrust. Er was zwaar ongenoegen om de drastische hervormingen die Jozef II in 1780 had doorgevoerd en die leidden tot de Brabantse Omwenteling. Bovendien bracht een mislukte oogst hongersnood in de winter van 1788-1789, wat een broeierige spanning tussen de verarmde massa en de egoïstische, bevoorrechte standen teweegbracht.
Toen de Zuid-Nederlandse patriotten zich tegen de keizer keerden werden de Noord-Nederlandse vluchtelingen, als beschermelingen van de keizer, het slachtoffer van vijandelijkheden. Het echtpaar Marret vluchtte daarop in 1790 van Antwerpen, via Brussel, naar Gent waar zij twee jaar verbleven.
Gent was in die tijd echter evenmin een veilige haven voor bannelingen. De stad was bezet door Oostenrijkse troepen en dat leidde zelfs tot een bloedige confrontatie toen de Gentse “patriotten” de kazerne aanvielen. Vreemdelingen werden argwanend in het oog gehouden, uit vrees voor spionnen. Verschillende leden van de Nederlandse kolonie in de stad werden gearresteerd.[2]
Clara Cornelia van Eijck en Gent

De begoede Marrets logeerden aan de Kouter en leidden een luxueus leven. Zij waren vaak te gast in het kasteel Groeningerveld, nabij Langerbrugge (niet ver van het kanaal naar Sas van Gent).
Tijdens haar verblijf in Gent (van mei 1790 tot maart 1791) schreef Clara, dan achter in de dertig, een dagboek dat zij bundelde in 13 brieven, gericht aan een, vermoedelijk fictieve, vriendin. Elke brief begint met: 'Mijne waarde vrindin'.[3] In de brieven schreef zij over haar dagelijks leven, het nieuws dat zij uit Holland kreeg, maar ook de vaak verontrustende politieke en militaire gebeurtenissen in Gent.
Als echtgenote van een begoede burger bracht zij haar dagen in ledigheid door. Verveling kleurt bijna elke bladzijde van dit dagboek. Het frusteerde haar dat zij zich, als vrouw uit de hogere stand, enkel met onnozel tijdverdrijf mocht bezighouden: haar opschik maken, dineetjes voorbereiden, allerlei spelletjes spelen, visites afleggen bij vrienden-medeballingen. Als het weer dat toeliet – nagenoeg elke dagnotitie begint met een weerbericht – ondernam zij korte wandelingen of langere “tourties” (tochtjes). Dat levert beschrijvingen op van de Kouter, de Coupure, de “Cathedrale of St.-Bavoos kerke”(Sint-Baafskathedraal), het “Hotel des Bisschops” (Bisschoppelijk Paleis), de Sint-Pietersabdij, de abdij van “Bordelo” (Baudelo) en het relaas van een bargietocht. Wat langere uitstappen gingen o.m. naar de Dampoort, de Brugse Poort, de Brusselse Poort of de abdij van Drongen.[2]
Verzuchtingen over de monotonie en landerigheid van het dagelijks bestaan worden afgewisseld met verhalen over het vermaak van de elite en de angsten over gearresteerde vrienden. Het liefst bracht Clara de dag lezend en schrijvend door. Ze was zeer geboeid door de politieke ontwikkelingen en liet zich graag onderrichten in wiskunde, astronomie en theologie.
Clara voelde zich niet thuis in Gent. Zij vreesde de “plunderende”, “zuipende” en “boelerende” militairen. Zij stoorde zich bovendien aan het boerse karakter van de lokale bevolking en als protestante kon zij geen begrip opbrengen voor – wat zij noemt – de van “bijgelovige onkunde” en “blinde godsdienstvijver” getuigende gebruiken (o.m. de Mariaverering) van de katholieken.[2]
Clara Cornelia en de Verlichting
Het dagboek geeft een gedetailleerd beeld van het dagelijkse leven van een welgestelde dame, zodat we de theorie van de Verlichting kunnen toetsen aan de praktijk.[4]
Uit het journaal van Clara komt een vrouw naar voren die zich in veel opzichten gedroeg volgens het gedachtengoed van de Verlichting. Schrijvend aan de vooravond van de negentiende eeuw leek zij minder gevangen in het keurslijf van conventies dat die eeuw zou gaan kenmerken.
Zij beschouwde zich als gelijkwaardig aan de mannelijke sekse en twijfelde niet aan haar redelijke vermogens (maar erkende wel de mannelijke superioriteit). Zij erkende het moederschap als het hoogste goed voor een vrouw. Het deed haar veel verdriet dat zij kinderloos bleef.
Zij schuwde geen politieke discussies en nam daarbij geen blad voor de mond. Nergens blijkt dat zij bij zulke gesprekken wegens haar sekse werd buitengesloten.
Zij had een grote honger naar kennis, maar signaleerde een enorm gebrek aan onderwijs voor meisjes.
Ze betreurde de maatschappelijke rolverdeling die vrouwen enkel de binnenwereld toebedeelde, terwijl mannen een veel grotere vrijheid hadden. Zij vulde haar dagen met lectuur, handwerk en kleine huishoudelijke taken en gaf te kennen dat ze daarom liever een jongen was geweest: Het eenigste dat mij jammert is maar dat men geen jonge van mij gemaakt heeft.
Haar omgang met de andere sekse was losser dan in de 19de eeuw. Ze legde geen verband tussen vrouw-zijn en gevoeligheid ten koste van intellect, stelde zich onafhankelijk op, ging seksuele onderwerpen niet uit de weg, en meed de buitenwereld allerminst.
Hoezeer persoonlijke omstandigheden ook een rol speelden, zij kan daarom beschouwd worden als een exponent van genderverhoudingen en rolpatronen op de drempel van de negentiende eeuw.[5]
Delen van deze pagina werden overgenomen van een externe website Van Eijck, Clara Cornelia (Literair Gent), onder een [https://www.literairgent.be/disclaimer CC BY-SA 4.0 licentie
Referenties
- ↑ Pera, Klaas, Clara Cornelia van Eijck (-1810) » Groningse doopsgezinden » Genealogie Online. Genealogie Online. Geraadpleegd op 20 november 2025.
- 1 2 3 Literair Gent. literairgent.be. Geraadpleegd op 20 november 2025.
- ↑ Van Eyck, Clara Cornelia (2000). Mijn waarde vriendin: een Gents journaal, 1790-1791.
- ↑ Van Essen, Mineke, Dane, Jacques (2002). "De heeren trokken derwards. De vrouwen bleeven thuis ": genderverhoudingen en rolpatronen in drie dagboeken van vrouwen, 1790-1865. Revue belge de philologie et d'histoire. - Middeleeewse, moderne en hedendaagse geschiedenis. tome 80 (2): pp. 647-668
- ↑ Johannes, Gert-Jan, Inger Leemans (2017). De Republiek. Worm en donder: geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800