Centrohelida

Centrohelida
Raphidiophrys contractilis
Taxonomische indeling
Domein:Eukaryota (Eukaryoten)
Clade:Haptista
Klasse
Centrohelida
Kühn, 1926
Synoniemen
  • Centroplasthelida Febvre‐Chevalier, 1984
  • Centroheliozoa Cushman & Jarvis, 1929
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Centrohelida op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Centrohelida, in recente classificaties Centroplasthelida genoemd,[1] zijn een groep van protisten. Het zijn eencellige eukaryoten met straalsgewijs uitlopende armen (axopodiën) die intracellulair ondersteund worden door microtubuli. De cellen zijn meestal rond en variëren sterk in grootte, van 3–150 micrometer. In tegenstelling tot andere Heliozoa hebben Centrohelida geen flagellen. De meeste soorten vormen een stevige 'schubben' die het celmembraan omgeven. Verschillende soorten kunnen kleine kolonies vormen.

Centrohelida komen wereldwijd voor. Ze voeden zich met bacteriën, andere protisten en larven van ongewervelde dieren door fagocytose. Bij grote prooien kunnen meerdere cellen samenwerken en zich rond één prooi verenigen. Ze zijn vooral bekend in aquatische omgevingen, met name zoetwater, maar ook in bodems zijn ze zeer soortenrijk.

Evolutionair gezien zijn centroheliden de naaste verwanten van de Haptophyta; samen vormen zij de clade Haptista. Beide groepen zijn te herkennen aan de gemineraliseerde schubben. Er zijn ongeveer 130 soorten beschreven, waarschijnlijk maar een klein deel van de werkelijke diversiteit. Ze worden ingedeeld in elf families, die samen twee hoofdgroepen vormen: Pterocystida en Panacanthocystida.[2]

Beschrijving

Centroheliden zijn eencellige Heliozoa ("zonnediertjes") met intrekbare, straalsgewijze uitlopers genaamd axopodiën. Dit zijn filamenteuze pseudopodia die intern door microtubuli ondersteund worden en dienen voor prooivangst via kinetocysten.[3] In tegenstelling tot andere heliozoa hebben ze geen flagellen en een specifieke ultrastructuur van de mitochondriale cristae. De cellen bevatten een microtubulus-organiserend centrum, de centroplast. De microtubuli in de axopodiën zijn gerangschikt in zeshoekige en driehoekige patronen.[3]

De meeste centroheliden zijn rondom bedekt met organische naaldjes (spiculae) of kiezelhoudende schubben met een soortspecifieke morfologie; enkele zijn naakt of hebben een slijmlaag.[4] Sommige soorten vormen kolonies of hechten zich met een slijmsteel aan het substraat. Hoewel ze normaal gesproken één celkern hebben, kunnen meerdere centroheliden tijdelijk fuseren om grotere prooien te verteren, waarbij een meerkernige cel ontstaat.[5]

Voedingswijze

Verschillende centroheliden (r) die een grotere protist (a) belagen. De centroheliden laten hun cytoplasma samensmelten om een gemeenschappelijke voedingsvacuole rond de prooi te vormen. Schaalbalk: 10 µm.

Centroheliden voeden zich met bacteriën, andere protisten en zelfs larven van ongewervelde dieren via fagocytose (fagotrofie). De voedingswijze is meestal passief: ze vangen prooien die toevallig langs hun axopodiën bewegen. Experimenteel onderzoek naar het voedingsgedrag heeft duidelijk gemaakt dat ze ecologisch belangrijke cyanobacteriën consumeren. Dit is relevant omdat deze cyanobacteriën schadelijke algenbloei kunnen veroorzaken; predatie door centroheliden zou zulke bloei mogelijk helpen reguleren.[6]

Een marien geslacht van centroheliden, Meringosphaera, vertoont kleptoplastie: deze soorten "stelen" de chloroplasten uit hun prooien en gebruiken deze tijdelijk voor fotosynthese. Het gaat hierbij vooral om plastiden afkomstig van heterokonte algen. Hoewel de opname van de chloroplasten een tijdelijk verschijnsel is, zijn sommige genen die bij deze plastiden horen overgedragen naar de kern van de centrohelide-gastheer. Deze zogenoemde endosymbiotische genoverdracht wordt gezien als een belangrijke evolutionaire stap richting het verwerven van permanente plastiden.[7]

Ecologie

Centroheliden zijn vrijlevende protisten met een wereldwijde verspreiding.[8] Ze komen zeer algemeen voor in zoetwatermilieus, met name in de bentische zone, hun belangrijkste niche. Ook in mariene habitats en bodems zijn deze protisten aangetoond (zowel vrijzwevend in de waterkolom als vastgehecht aan het substraat), maar deze soorten zijn minder goed bestudeerd en de diversiteit is nog onvolledig in kaart gebracht. Op basis van milieu-DNA-analyses blijkt dat bodembewonende centroheliden ongeveer twee keer zo soortenrijk zijn als zoetwatersoorten en zelfs tien keer zo divers als mariene soorten.[9] Geschat wordt dat wel 90% van de diversiteit nog niet is ontdekt en beschreven.[10]

Zie ook