Catharina de Chasseur

Catharina de Chasseur (ca. 14901541) was waarschijnlijk een Frans koopvrouw. Zij was de echtgenote van Gerrit van Assendelft, jurist en voorzitter van het Hof van Holland en daarmee de hoogste ambtenaar in Holland, Zeeland en West-Friesland.[1] Zij is bekend geworden vanwege haar veroordeling als valsemuntster. Haar naam wordt ook wel weergegeven als Catharina la Sasseure, Catharina Dechassoir of Catharina van Assendelft.[2]

Huwelijk

Catharina de Chasseur ontmoette haar latere man in Orléans, waar haar vader herbergier was. Gerrit van Assendelft studeerde daar voor zijn licentiaat.[1] Nadat hij als jongeling met haar het bed had gedeeld, dwong haar vader hem om met haar te trouwen.[3] In 1507 trouwde De Chasseur in haar stad Orléans met de Hollandse edelman Gerrit van Assendelft. Omdat zij van relatief lage komaf was, wilde haar schoonfamilie haar, toen zij in Holland kwam, niet accepteren.

Ook haar echtgenoot wilde niet dat zijn pasgetrouwde vrouw naar Nederland zou komen, maar De Chasseur trok zich daar niets van aan en kwam toch. Zij eiste voor verschillende rechtbanken dat hij haar als zijn vrouw moest erkennen en haar moest onderhouden. In 1509 kreeg zij van het Hof van Holland gelijk. Daarna woonde zij vermoedelijk op de hoek van de Hoge Nieuwstraat/Lange Voorhout[4] – in een ander huis dan haar echtgenoot – in Den Haag. Zij hadden echter gemeenschappelijke vrienden en in de eerste helft van 1518[1] werd hun zoon Klaas (ook wel Nicolaas) geboren.[4]

Haar schoonmoeder nam echter in haar testament op dat De Chasseur niet van haar erfenis mocht profiteren. Toen de schoonmoeder in 1531 overleed, kwam het tot een definitieve breuk tussen De Chasseur en Van Assendelft. Van Assendelft probeerde toen zowel De Chasseur als hun beider zoon te onterven. De Chasseur ging ook hierover naar de rechtbank, de Grote Raad van Mechelen. Er kwam een compromis in 1532: De Chasseur deed afstand van haar rechten, maar Van Assendelft zegde haar een toelage toe van zeshonderd Karolusguldens per jaar.[1] Bovendien vergoedde hij de kosten voor hun zoon.[4]

Valsemunterij

Vermoedelijk was Catharina de Chasseur in het dagelijks leven koopvrouw. Op die manier kon zij haar handelsnetwerk ook inzetten voor het verspreiden van valse munten.

Zij had aan kapelaan Mathurijn Alijs gevraagd om in Frankrijk werknemers (gezellen) te werven voor het munten van vals geld. Alijs was als haar compagnon bezig en kocht het basismateriaal om de valse munten te maken. Ook "snoeiden" zowel De Chasseur als Alijs gouden en zilveren munten; dat wil zeggen dat zij de rand van de munten eraf haalden om dat kostbare materiaal te hergebruiken. De valse munten werden gemaakt door de gezellen.[5]

De Chasseur gaf het valse geld uit onder de bevolking. Ook maakten zij en Alijs gebruik van de diensten van geldhandelaren, zogeheten lombarden.[5]

Veroordeling en executie

Toen haar werkzaamheden als valsemuntster uitkwamen, werd Chasseur in februari 1541 gevangengezet in de Gevangenpoort in Den Haag en aangeklaagd. Haar man moest zich als voorzitter van het hof niet met haar proces bemoeien.

Naast De Chasseur werden enkele anderen aangeklaagd, zoals haar kameniers, Hugette Pietersdr en Robijne de la Roche, die beiden op de hoogte moeten zijn geweest van de activiteiten.[5] De meewerkende kapelaan, de Haarlemse lombard Antonie Masic en zijn meester Jan Baptista werden eveneens aangeklaagd.

Chasseur werd door het Hof van Holland schuldig bevonden en veroordeeld tot de brandstapel. Door interventie van landvoogdes Maria van Hongarije werd haar straf omgezet in een niet-openbare executie "met het zwaard"(metten swaerde).[5][6] Daarmee werd de eer van het Huis Van Assendelft gered en kon De Chasseur in de kerk begraven worden. Er was geen confiscatie van haar goederen, mogelijk omdat haar echtgenoot voorzitter van het Hof was.

Volgens andere bronnen zou de beul haar niet met het zwaard hebben omgebracht, maar haar op de pijnbank hebben gelegd en haar door een trechter net zo lang water hebben toegediend totdat zij stikte, maar dat was een verkeerde interpretatie van het vonnis.[5]

Zowel de kapelaan Mathurijn Alijs als Jan Baptista kregen de doodstraf door middel van onthoofding. Antonie Masic kreeg een lichtere straf: na op het schavot te zijn gesteld, werd hij verbannen uit Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht. Hij had geen vals geld gemaakt, maar het slechts uitgegeven. Ook de kameniers werden verbannen.[5]

Na haar overlijden

Tot in de zeventiende eeuw liepen er rechtszaken over de rechten van de zoon van De Chasseur en diens nakomelingen op de erfenis van Gerrit van Assendelft. Van Assendelft had geprobeerd hem uit zijn testament te houden, omdat hij niet wilde geloven dat een jongen die uit zo’n moeder geboren was, hem kon opvolgen als hoofd van het geslacht Assendelft.[1]

Chasseur wordt in de Gevangenpoort nog steeds vermeld als een van de beroemdste gevangenen. In de historiografie is er de nodige negatieve speculatie geweest over wat voor een vrouw Catharina de Chasseur was. Deze negatieve speculaties vinden echter geen grond in historische bronnen.

Ook zou zij na haar executie als geest hebben rondgewaard in een van de huizen van Gerrit van Assendelft.