Buitenlandsche Bankvereeniging

Damrak 80-81, oorspronkelijk gebouwd voor de Buitenlandsche Bankvereeniging (1903‑1904)

De Buitenlandsche Bankvereeniging was een bank in Amsterdam. Het betrof een relatief kleine bank zonder grote bekendheid in de Nederlandse bankgeschiedenis, maar zij zou in de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol spelen in de dubieuze kunsthandel van Alois Miedl.

Geschiedenis

De Buitenlandsche Bankvereeniging (BBV) werd in 1897 opgericht met als doel “het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf in den ruimsten zin”. De bank was aanvankelijk gevestigd boven De Groote Club, een vooraanstaande herensociëteit in Amsterdam, gevestigd op de hoek van de Dam en de Kalverstraat.[1] In 1903‑1904 werd in opdracht van directeur Marcus Philips aan het Damrak 80-81 het kantoor van de Buitenlandsche Bankvereeniging gebouwd naar een ontwerp van Gerrit van Arkel. De art nouveau gevel, uitgevoerd in hardsteen en zandsteen, vertoont Moorse elementen en is versierd met goudkleurige bloemmotieven. In 1916 werd de kelder verbouwd en ingericht als een beveiligde kluisruimte.

Aanvankelijk werden grote winsten behaald. Vanaf 1903 begon echter een structurele neergang, met dat jaar al een groot verlies. Hoewel er in 1906 nog een winst werd behaald, volgden in 1907 zware verliezen door wanbetaling van debiteuren en koersdalingen, waardoor reserves moesten worden gebruikt voor afschrijvingen. In 1909 werd zelfs een hypotheek op het eigen vastgoed afgesloten om liquide middelen te verkrijgen. In 1910-1911 verslechterde de situatie verder door nieuwe koersverliezen en verloren rechtszaken, met als gevolg dat bijna de helft van het aandelenkapitaal verloren ging. De bankleiding besloot daarom de activiteiten in Amsterdam te beperken en de kernactiviteiten te verplaatsen naar London, waar reeds langer een bankagentschap bestond.[2]

In 1925 bevond het kantoor van de BBV zich aan Rokin 84,[3] en in september 1940 was het in het voormalige Bankierskantoor Lisser & Rosenkranz aan de Herengracht 268 gevestigd.[4]

In de jaren dertig kocht Alois Miedl de Buitenlandsche Bankvereeniging. Na het overlijden van Jacques Goudstikker in 1940 kwam zijn kunsthandel op illegale wijze[5] in bezit van Alois Miedl: de BBV verwierf de handelsnaam en het onroerend goed, en Miedl zette de kunsthandel voort onder de naam Kunsthandel voorheen J. Goudstikker N.V. Via deze constructie verkocht hij de kunstvoorwerpen door aan prominente nazi‑kopers, zoals Hermann Göring.

In 1944 hield de Buitenlandsche Bankvereeniging formeel op te bestaan. In juni van dat jaar stemden de aandeelhouders in met de liquidatie. Vervolgens zette Alois Miedl de bankactiviteiten voort onder de firma Bankierskantoor Alois Miedl, waarvan hij de enige firmant was.[6] Kort daarna vluchtte hij echter naar Spanje.