Bori
| Bori IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2016) | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Octodontomys gliroides (Gervais & d'Orbigny, 1844) Originele combinatie Octodon gliroides | ||||||||||||
![]() | ||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||
| Bori op | ||||||||||||
| ||||||||||||
De bori (Octodontomys gliroides) is een zoogdier uit de familie van de schijnratten (Octodontidae) en de enige soort in het geslacht. De bori komt voor in het Andesgebergte in Argentinië, Bolivia en Chili, op een hoogte van 1200 tot 4400 meter. Dit gravende knaagdier is typisch voor droge gebieden, leeft in rotsachtige zones en is overdag en in de eerste uren van de nacht actief. De bori is algemeen in zijn hele verspreidingsgebied en wordt beschouwd als "niet bedreigd".[2]
Beschrijving
De bori is een middelgrote tot grote schijnrat, met een lichaamsgewicht van 100-200 g. Het dier is van neus tot staartpunt 20-38 cm lang, waarvan de staart van 10-19 cm inneemt. De achterpoot is 33-40 mm lang, terwijl het oor 24-35 mm hoog is. Het is deels ondergrondse levende soort die, net als degoes en de soorten van het geslacht Tympanoctomys grote ogen, oren en achterpoten heeft. De vacht is relatief lang en zijdeachtig, grijsachtig met zwart op de rug. De staart heeft een okerbruine pluim aan het eind. De vacht aan de onderkant heeft witte haren met grijze bases, behalve op de kin en keel waar ze zuiver wit zijn, wat scherp contrasteert met de rug. De oren zijn groot, fijn bedekt met korte grijsachtige haren, met witte plukjes aan de voorste uiteinden. Voeten zijn behaard met de klauw bedekt met haar, de palmen van de handen en voeten dragen fijne korrels, en prominente kussentjes. De staart is bijna vier vijfde van de lengte van kop en romp. Onvolwassen dieren zijn donkerder met een grijzere buik en hebben een vrijwel eenkleurige staart die eindigt in een korte, zwarte of donkergrijze pluim. De snuit is relatief lang en smal met 9¼ mm. Er zijn niet of nauwelijks wenkbrauwbogen. De afstand tussen de ogen is ongeveer 7½ mm. Vrouwtjes hebben 6 tepels in de liezen en op de buik. Een exemplaar in gevangenschap bereikte een leeftijd van ruim 7 jaar. De bori heeft 19 paar homologe chromosomen (2n=38).[2]
Ontwikkeling
Bori zijn geslachtsrijp na ongeveer 5 maanden. De draagtijd in gevangenschap bedraagt 99-104 dagen en worpen bestaan uit 2-4 jongen. De jongen zijn goed ontwikkeld bij de geboorte, volledig behaard en hebben open ogen. Ze wegen dan 15-21 gram en worden 5-6 weken gezoogd.[2]
Anatomie
Het traanbeen is groot en driehoekig. Het gehemelte is kort en de opening achter het uiteinde van het gehemelte heeft een omgekeerde V-vorm, die niet verder reikt dan voorste ware kies. De tandformule van de volwassen bori is 1.0.1.31.0.1.3 × 2 = 20, dat wil zeggen een snijtand, geen hoektanden of valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak. Dit is identiek aan de elementen van het gebit van de huismuis. De bovenste snijtanden zijn oranje, smal en kort en wijzen recht naar onder of iets naar voren terwijl ook de onderste snijtanden oranje en smal zijn, maar deze zijn juist hoog, met een rechte glazuurrand aan de voorkant en een gebogen rand aan de achterzijde waar het glazuur verder dan de helft van de hoogte reikt. Zoals bij alle schijnratten blijven de kiezen altijd doorgroeien.[2]
Taxonomie
De bori is voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Paul Gervais and Alcide d'Orbigny in 1844 op basis van een collectie van dieren verzameld nabij La Paz, en zij noemden de soort Octodon gliroides. In 1902 meende Michael Rogers Oldfield Thomas dat de soort niet in hetzelfde geslacht als de degoes thuishoort en gaf daarom de naam Neoctodon simonsi. De geslachtsnaam Neoctodon was echter niet meer beschikbaar omdat de Franse entomoloog Ernest Bedel deze al had gebruikt voor een groep bladsprietkevers die tegenwoordig weer tot het geslacht Scarabaeus worden gerekend. Bovendien was de nieuwe soortnaam overbodig omdat de soortnaam van Gervais en d'Obigny er al was. Theodore Sherman Palmer suggereerde daarom een nieuwe geslachtsnaam Octodontomys. Oldfield Thomas maakte in 1913 de huidige combinatie Octodontomys gliroides. De bori wordt gerekend tot de orde van de Knaagdieren, onderorde Hystricomorpha, infraorde Hystricognathi, familie van de Schijnratten. De bori is dus slechts een verre verwant van de rat die is ingedeeld bij de onderorde Myomorpha, familie Muridae.[2]
Ecologie
De bori is een typische soort uit droge gebieden. Hij leeft in kleine holen tussen rotsen of cactuswortels, met verspreide vegetatie, struiken en cactussen, waar hij zich voedt met vegetatie, zich verbergt voor land- en luchtroofdieren en nakomelingen grootbrengt. De openingen van zijn holen zijn verbonden door oppervlakkige sporen, en alle vegetatie rond het hol is verwijderd, behalve de doornige soorten. In Chili wordt de vegetatie in zijn leefgebied gedomineerd door de cactussen Browningia candelaris, Cereus atacamensis en Opuntia, evenals struiken en kruiden zoals Polyachyrus sphaerocephalus, Viguiera gayana, Ophryosporus pinifolius, Baccaris boliviensis, Trixis cacaloides en Mentzelia scabra.[2]
In het Andesgebied van Argentinië is de bori een belangrijk voedsel voor de bergkat, waarschijnlijk omdat hij er overvloedig aanwezig is en een aanzienlijke hoeveelheid vlees levert.[2]
Voorkomen
De soort komt voor in Peru, Bolivia, Argentinië en Chili.
- ↑ (en) Bori op de IUCN Red List of Threatened Species.
- 1 2 3 4 5 6 7 M. Julieta Pérez, M. Mónica Díaz (2018). Octodontomys gliroides (Rodentia: Octodontidae). Mammalian Species 50 (963): 74–83.

