Een mogelijke parametrisatie voor een algemene, complexe, twee-dimensionale, genormeerde toestandsvector is
waarbij de hoek is met de positieve z-as en de hoek in het x,y-vlak met de positieve x-as (zie afbeelding hiernaast). Voor deze toestandsvector geldt expliciet dat deze genormeerd is: , met andere woorden: elke bloch-vector heeft gezien vanuit het centrum van de bol een lengte gelijk aan 1. De bloch-vector is vervolgens gedefinieerd als de verwachtingswaarde van de pauli-matrices met betrekking tot deze toestandsvector: . Voor de parametrisatie hierboven volgt
waarbij:
Visualisatie van qubits op de Bloch-bol
Een qubit kan worden weergegeven als een vector in een tweedimensionale complexe Hilbertruimte. De Bloch-bol is vernoemd naar Felix Bloch, die het concept introduceerde in de context van kernmagnetische resonantie, vandaar de naam: Bloch-sphere of Bloch-bol. De toestanden ∣0⟩ en ∣1⟩ vormen daarbij een orthonormale basis van de tweedimensionale Hilbertruimte en kunnen worden geïnterpreteerd als de eigenstaten van de Pauli--operator. Deze operator heeft de matrixrepresentatie:
waarbij ∣0⟩ overeenkomt met de eigenwaarde +1 en ∣1⟩ met de eigenwaarde −1. In deze interpretatie beschrijven ∣0⟩ en ∣1⟩ respectievelijk de “spin-omhoog” en “spin-omlaag” toestanden langs de z-as.
Qubittoestanden zijn wiskundig equivalent aan de toestanden van een spin-½-deeltje.
De coëfficiënten van |0⟩ en |1⟩ zijn cos(θ/2) en e^(iφ)sin(θ/2), zoals bepaald door normalisatie. Waarbij de globale fase een vorm van de identiteit van Euler is. de fasen (ket 0 en ket 1) vertellen ons dat:
Verschillende qubittoestanden corresponderen met verschillende punten op de Bloch-bol. Dit visualiseert de XY-as-rotaties tussen en .
. De 4 basisrotaties zijn:
Voor x:
Voor y:
gebruik c coëfficiënt:
En c is een complex getal: En daarbij:
Negeer . Dit is globale fase. Daarna houden we de termen en over:
de globale fase is fysisch niet te meten; bij alle fysische waarschijnlijkheden komen we altijd uit op 1:
Zet de fase voor een volledige toestand: en si hier de fase hoek. dan geldt:
door de probabiliteit: . verwijst naar de identiteit van Euler.
kan niet worden gemeten als een complex getal in één keer. Met een enkel experiment is er alleen een 0 of 1 resultaat (projectie) namelijk: . noteer nu twee andere staten:
. waarbij de relatieve fase: , en de globale fase: . Factoriseer de globale fase.
Zet daarvoor: in de macht: .
. Een gemeenschappelijke fasefactor kan altijd worden uitgefactoriseerd en heeft geen fysische betekenis:
.
Dit is de relatieve fase. Noteer de staat nu als:
. Hieruit komen de coördinaten voor de bloch-bol representatie:
. Hiervoor is de normalisatie conditie voor nodig.
. Bekijk eerst de rechter normalisatie van de optelling:
bij .
en:
Dat betekent wel dat identiek is aan :
voeg nu de hoeken van de polaire assen in de Bloch-bol toe:
Invoegen:
Het optreden van de halve poolhoek θ/2 is geen gevolg van normalisatie, maar heeft een wiskundige oorsprong. Qubit-toestanden transformeren onder rotaties volgens de groep SU(2), terwijl de Bloch-bol zelf een ruimtelijke bol (SO(3)) voorstelt. De groep SU(2) is een dubbele bedekking van SO(3), wat betekent dat een volledige ruimtelijke rotatie van 2π overeenkomt met een faseverandering van −1 in de qubittoestand.
Door deze relatie tussen SU(2) en SO(3) worden rotaties van qubittoestanden beschreven met een halve hoek. Dit leidt er direct toe dat de coëfficiënten van ∣0⟩ en ∣1⟩ afhangen van cos(θ/2) en sin(θ/2) in plaats van cos(θ).
Bronvermelding
Bronnen
(en) - M. A. Nielsen en I. L. Chuang, Quantum Computation and Quantum Information, ISBN 978-1-107-00217-3