Bloch-vector

De blochbol, de ruimte voor blochvectoren.

In de kwantummechanica is een bloch-vector een meetkundige representatie van een pure kwantumtoestand van een 2-toestanden systeem. De naam is te danken aan Felix Bloch (1905–1983), Zwitsers-Amerikaans natuurkundige en winnaar van de Nobelprijs voor Natuurkunde in 1952.

Een mogelijke parametrisatie voor een algemene, complexe, twee-dimensionale, genormeerde toestandsvector is

waarbij de hoek is met de positieve z-as en de hoek in het x,y-vlak met de positieve x-as (zie afbeelding hiernaast). Voor deze toestandsvector geldt expliciet dat deze genormeerd is: , met andere woorden: elke bloch-vector heeft gezien vanuit het centrum van de bol een lengte gelijk aan 1. De bloch-vector is vervolgens gedefinieerd als de verwachtingswaarde van de pauli-matrices met betrekking tot deze toestandsvector: . Voor de parametrisatie hierboven volgt

waarbij:

Visualisatie van qubits op de Bloch-bol

Een qubit kan worden weergegeven als een vector in een tweedimensionale complexe Hilbertruimte. De Bloch-bol is vernoemd naar Felix Bloch, die het concept introduceerde in de context van kernmagnetische resonantie, vandaar de naam: Bloch-sphere of Bloch-bol. De toestanden ∣0⟩ en ∣1⟩ vormen daarbij een orthonormale basis van de tweedimensionale Hilbertruimte en kunnen worden geïnterpreteerd als de eigenstaten van de Pauli--operator. Deze operator heeft de matrixrepresentatie:

waarbij ∣0⟩ overeenkomt met de eigenwaarde +1 en ∣1⟩ met de eigenwaarde −1. In deze interpretatie beschrijven ∣0⟩ en ∣1⟩ respectievelijk de “spin-omhoog” en “spin-omlaag” toestanden langs de z-as.

Qubittoestanden zijn wiskundig equivalent aan de toestanden van een spin-½-deeltje.

De coëfficiënten van |0⟩ en |1⟩ zijn cos(θ/2) en e^(iφ)sin(θ/2), zoals bepaald door normalisatie. Waarbij de globale fase een vorm van de identiteit van Euler is. de fasen (ket 0 en ket 1) vertellen ons dat:

Verschillende qubittoestanden corresponderen met verschillende punten op de Bloch-bol. Dit visualiseert de XY-as-rotaties tussen en .

. De 4 basisrotaties zijn:

Voor x:

Voor y:

gebruik c coëfficiënt:

En c is een complex getal: En daarbij:

Negeer . Dit is globale fase. Daarna houden we de termen en over:

de globale fase is fysisch niet te meten; bij alle fysische waarschijnlijkheden komen we altijd uit op 1:

Zet de fase voor een volledige toestand: en si hier de fase hoek. dan geldt:

door de probabiliteit: . verwijst naar de identiteit van Euler.

kan niet worden gemeten als een complex getal in één keer. Met een enkel experiment is er alleen een 0 of 1 resultaat (projectie) namelijk: . noteer nu twee andere staten:

. waarbij de relatieve fase: , en de globale fase: . Factoriseer de globale fase. Zet daarvoor: in de macht: .

. Een gemeenschappelijke fasefactor kan altijd worden uitgefactoriseerd en heeft geen fysische betekenis: . Dit is de relatieve fase. Noteer de staat nu als: . Hieruit komen de coördinaten voor de bloch-bol representatie: . Hiervoor is de normalisatie conditie voor nodig. . Bekijk eerst de rechter normalisatie van de optelling: bij .

en:

Dat betekent wel dat identiek is aan : voeg nu de hoeken van de polaire assen in de Bloch-bol toe: Invoegen: Het optreden van de halve poolhoek θ/2 is geen gevolg van normalisatie, maar heeft een wiskundige oorsprong. Qubit-toestanden transformeren onder rotaties volgens de groep SU(2), terwijl de Bloch-bol zelf een ruimtelijke bol (SO(3)) voorstelt. De groep SU(2) is een dubbele bedekking van SO(3), wat betekent dat een volledige ruimtelijke rotatie van 2π overeenkomt met een faseverandering van −1 in de qubittoestand.

Door deze relatie tussen SU(2) en SO(3) worden rotaties van qubittoestanden beschreven met een halve hoek. Dit leidt er direct toe dat de coëfficiënten van ∣0⟩ en ∣1⟩ afhangen van cos(θ/2) en sin(θ/2) in plaats van cos(θ).

Bronvermelding

Zie de categorie Bloch spheres van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.