Blanke champignonparasol
| Blanke champignonparasol | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
![]() | ||||||||||||||
| Blanke champignonparasol (Leucoagaricus leucothites) | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Leucoagaricus leucothites (Vittad.) Wasser (1977 [1]) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Agaricus leucothites | ||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||
| Blanke champignonparasol op | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De blanke champignonparasol (Leucoagaricus leucothites) is een schimmel behorend tot de familie Agaricaceae. Deze soort werd oorspronkelijk in 1835 door de Italiaanse dokter en mycoloog Carlo Vittadini beschreven als Agaricus leucothites, maar later werd hij in het geslacht Leucoagaricus geplaatst. Paddenstoelen van deze soort leven van de afbraak van dood plantaardig materiaal. Ze leven slechts enkele dagen.
Kenmerken
Uiterlijke kenmerken
- Hoed
De hoed heeft een diameter van 5 tot 8 cm. In het begin is hij bolvormig, maar later spreidt hij zich uit. Het oppervlak is aanvankelijk glad en zuiver wit, maar barst soms open en krijgt in het midden een vleeskleurige, oker- tot bruinachtige tint. Er kunnen dan schubjes of kleine vlokjes ontstaan. De hoedrand is eerst ingerold, maar slaat later terug.
- Lamellen
De lamellen zijn aanvankelijk wit, maar verkleuren later lichtroze. Ze staan dicht opeen en zijn bochtig aangehecht tot vrij.
- Steel
De steel wordt tot 8 cm lang, maar blijft meestal korter. De dikte bedraagt 1 tot 2 cm. Aan de basis bevindt zich een knolvormige verdikking, maar er is geen beurs aanwezig.
- Ring
Rond de steel zit een witte, dunne en verschuifbare manchet (ring). Bij oudere exemplaren kan deze geheel verdwijnen.
- Geur en smaak
De zwam heeft een zwakke champignonachtige geur. Hij is eetbaar en heeft een milde smaak, maar wordt door sommige mensen slecht verdragen en kan maag- en darmklachten veroorzaken. Daarnaast bestaat er verwarringsgevaar met de dodelijke kleverige knolamaniet (Amanita virosa) en de groene knolamaniet (Amanita phalloides).
- Sporenprint
De sporenprint is wit tot roze.
Microscopische kenmerken
De elliptische sporen zijn 8 tot 9 µm lang en 5 tot 6 µm breed. Ze zijn hyaliene, dikwandig en hebben een kiempore. De kromme cilindrische tot smallobbige cheilocystidia zijn 40–60 µm lang en 10–15 (–20) µm breed. De eindcellen van de hoedhuid zijn cilindrisch, smal gelobd of spoelvormig en meten 40-130 × 10-15 µm.
Verspreiding

De blanke champignonparasol komt bijna over de hele wereld voor. Er zijn waarnemingen bekend uit Australië, Nieuw-Zeeland, Azië (Turkije, Israël, Armenië, West-Siberië, Sri Lanka, India, Japan), Amerika (Argentinië, Chili, VS, Canada), Afrika (Marokko, Algerije) en Europa. In veel landen is hij geïntroduceerd.
In Nederland is de blanke champignonparasol algemeen. Hij staat niet op de rode lijst.[2] Hij leeft bij voorkeur in het cultuurlandschap en wordt regelmatig gezien in parken, tuinen, kerkhoven, wegbermen en groenstroken. Ook kan hij worden aangetroffen in weilanden en boomgaarden (zoals bijvoorbeeld op afval- en composthopen).
Foto's
Hoed met schubjes
Steel met manchet
Doorgesneden exemplaar
_M.M._Moser_ex_Bon_61894_crop.jpg)