Bijzonder onderwijs

In Vlaanderen heet deze vorm van onderwijs vrij gesubsidieerd onderwijs.
Percentages van de denominaties in het onderwijs in Nederland in 2020.[1]

Het bijzonder onderwijs is een onderwijsorganisatievorm in Nederland voor scholen met een specifieke religieuze, levensbeschouwelijke of pedagogische grondslag. Het bijzonder onderwijs bestaat naast het openbaar onderwijs: onderwijs dat uitgaat van en bestuurd wordt door een overheid, vaak een gemeente. In Nederland worden zowel overheidsscholen en niet-overheidsscholen (bijzonder onderwijs) bekostigd door de overheid. Deze integrale bekostiging, die is ontstaan vanuit de Schoolstrijd, is in contrast met de meeste Europese landen, waar alleen openbare scholen volledig worden bekostigd.[2]

Het bijzonder onderwijs wordt onderverdeeld in confessioneel bijzonder onderwijs (op religieuze of levensbeschouwelijke basis) en algemeen bijzonder onderwijs (niet-confessioneel). Van ouders wordt verwacht dat zij de visie en uitgangspunten van de school (de grondslag) onderschrijven.[3] In Nederland vallen de meeste leerlingen onder het bijzonder onderwijs.

In 2020 ging 27% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs naar een openbare school, 21,5% naar een protestants-christelijke school, 23,5% naar een rooms-katholieke school en 28% naar een andere bijzondere schoolsoort.[1] In het schooljaar 2023/2024 volgde 27% van leerlingen voortgezet onderwijs aan een openbare school.[4]

Bijzonder onderwijs wordt soms verward met speciaal onderwijs (in Vlaanderen het buitengewoon onderwijs), onderwijs aan kinderen die vanwege leer- of gedragsproblemen, vanwege lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicaps of door gedragsstoornissen extra zorg op school nodig hebben.

Bijzonder onderwijs op religieuze of levensbeschouwelijke basis

Dit onderwijs wordt gegeven op religieuze of levensbeschouwelijke basis, zoals:

Algemeen bijzonder onderwijs

Naast onderwijs op religieuze basis, bestaat er neutraal algemeen bijzonder onderwijs, vergelijkbaar met openbaar onderwijs. Een school op algemeen bijzondere grondslag is een openbare school met een eigen bestuur. Vroeger waren alle overheidsscholen openbare scholen. Met de komst van de algemeen bijzondere scholen is dat veranderd. Inmiddels vallen alle scholen in Nederland onder bestuursstichtingen. Ook het openbaar onderwijs is inmiddels niet meer strikt een overheidsaangelegenheid. Alle scholen die voldoen aan de accreditatie-eisen van de overheid, worden door de overheid bekostigd. Alle scholen, ongeacht of ze bijzonder, algemeen bijzonder of openbaar zijn, bieden onderwijs dat georganiseerd is op basis van een onderwijskundige methode:

Bijzondere scholen kunnen ook een religieuze én een onderwijskundige grondslag hebben. Daarnaast kunnen openbare scholen ook een onderwijskundige grondslag hebben. Ook is het mogelijk dat confessioneel-bijzondere scholen en openbare scholen bepaalde aspecten van onderwijskundige ideeën toepassen in hun onderwijs zonder daarmee zichzelf te bestempelen als een school voor algemeen bijzonder onderwijs.

Geschiedenis

Zie Schoolwet (Nederland) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tot 1920

Zie Schoolstrijd (Nederland) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Voor 1917 werden de bijzondere scholen niet volledig door de overheid gefinancierd. Daar kwam in dat jaar verandering in als gevolg van de schoolstrijd. In de Grondwet van 1917 introduceerde art. 192 de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. Sindsdien werden scholen op godsdienstige grondslag volledig door de overheid bekostigd. In de grondwetwijziging in 1983 werd het artikel verplaatst naar het eerste hoofdstuk, als artikel 23. [10] [11][12]

Als gevolg van de grondwetswijziging van 1917 kwam in 1920 de nieuwe Lager onderwijswet tot stand. Hierin is de financiële gelijkberechtiging verder uitgewerkt.

De vrijheid van onderwijs staat in artikel 23 lid 2. De financiële gelijkstelling van openbare en bijzondere scholen staat in artikel 23 lid 6 en lid 7. De inhoud van artikel 23 staat op het punt van de financiële gelijkstelling soms ter discussie.[11][13]

1920–2021

Na de aanname van de Lager Onderwijswet van 1920 nam het aantal bijzondere scholen rap toe: nieuwe bijzondere scholen werden opgericht en bestaande kleine scholen werden uitgebreid.[14] In 1876 was nog 76% van de scholen openbaar;[15] dat nam af tot ongeveer een derde in de jaren 1930[14] en tot ongeveer 25% in 2017.[15]

2021–heden

In 2021 versoepelde minister van Onderwijs Arie Slob het stichtingsproces voor bijzondere scholen met de wet 'Meer ruimte voor nieuwe scholen'.[16] Ondanks de wettelijk mogelijkheid, bleek het in de praktijk bijna nooit te lukken om een nieuwe bekostigde school te beginnen.[17] Sindsdien is een onderwijskundig concept voldoende voor bekostiging, en is een combinatie met een erkende geloofs- of levensovertuiging niet langer verplicht.[18]

Toezicht kwaliteit onderwijs

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs van openbare en bijzondere scholen. Ze bekijkt ook of er genoeg uren onderwijs (onderwijstijd) worden gegeven.[17]

Discussiepunten

Gelijke behandeling

In 1994 werd in de Algemene Wet Gelijke Behandeling geprobeerd een evenwicht aan te brengen tussen de soms botsende rechten op gelijke behandeling, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de vrijheid van onderwijs en vereniging. Een aantal instellingen ontvingen een uitgezondingspositie in de wet, waaronder het bijzonder onderwijs. Scholen mochten eisen stellen aan de godsdienstige overtuiging of de levensbeschouwing van leraren en leerlingen. Weliswaar is onderscheid op grond van het ‘enkele feit’ van ‘homoseksuele gerichtheid’ volgens de AWGB verboden, maar in geval van ‘bijkomende omstandigheden’ bleef het mogelijk om kandidaten te weren. Volgens D66-Kamerlid Van der Ham betekende het, "dat je wel homo mag zijn, maar daar niet voor mag uitkomen".[19] Deze formulering bood de ruimte om via een omweg toch te discrimineren op basis van traditionele orthodoxe-religeuze concepties over seksualiteit, vrouwenrechten, echtscheidingen en ongehuwd samenwonen, de weging van nieuwe wetenschappelijke feiten en de visie op de schepping.[20] In 2008 ontving Nederland kritiek van de Europese Commissie, als onderdeel van de inbreukprocedure, vanwege de wettelijke uitzonderingen.[21] Vervolgens brachten de Commissie gelijke behandeling [22] en de Raad van State adviesrapporten uit over het wetsonderdeel. [23]

In 2009 stelden kamerleden van der Ham, Van Miltenburg, Klijnsma, van Dijk en Van Gent een nieuwe initiatiefwet voor om de enkele feit constuctie te schrappen.[24] In 2010 werd de "enkele feit"-constructie geschrapt uit de Algemene wet gelijke behandeling, waardoor een religieuze school docenten niet meer mochten ontslaan vanwege hun geaardheid.[25]

Homoseksualiteit

Sinds 1 februari 2006 zijn basisscholen verplicht om burgerschapsonderwijs (of burgerschapsvorming) te geven (Wet op het primair onderwijs, artikel 8 lid 3). Er is in de loop der jaren echter onduidelijkheid gebleven over wat en hoe dat precies gegeven moet worden, waarop Minister van Onderwijs Arie Slob in juni 2018 aangaf een aanvullende wet burgerschapsvorming te willen invoeren.[26] Na verscheidene ontwikkelingen spitste de discussie rondom het wetsvoorstel zich in de zomer van 2020 vooral toe op de vraag op welke manier orthodoxe scholen met een christelijke, joodse en islamitische achtergrond moeten omgaan met homoseksualiteit. Sommige scholen meenden te mogen onderwijzen dat homoseksualiteit 'verderfelijk' is, maar volgens Slob strookte dat niet met het verbod op 'discriminatie op grond van seksuele oriëntatie, genderidentiteit en genderexpressie' (Artikel 1 Grondwet). Anderzijds mogen scholen vanwege de vrijheid van onderwijs (Artikel 23 Grondwet) wel 'openlijk uitdragen (...) dat het hebben van een homoseksuele relatie niet strookt met een leefwijze die de school passend acht vanuit de godsdienstige overtuiging van de school.'[27]

Homoverklaringen van ouders

Op 9 november 2020 ontstond er ophef nadat Minister Slob tijdens een Kamerdebat zei dat reformatorische scholen het recht hebben om van ouders een verklaring tegen homoseksualiteit te vragen. Dit recht zou voortvloeien uit de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van godsdienst. Een Kamermeerderheid nam een motie aan om de homoverklaringen af te schaffen. De volgende dag werd Slob in de ministerraad teruggefloten door die drie andere coalitiepartijen (VVD, CDA en D66), waarna hij zei dat de wetgeving diende te worden aangepast.[28]

Weigerrecht of acceptatieplicht?

Aan het begin van de 21e eeuw was er jarenlange discussie over het weigerrecht van scholen, waardoor kinderen op basis hun religie geweigerd konden worden. Een deel van de scholen op religieuze grondslag bleek stelselmatig te discrimineren door kinderen van ouders van andere gezindten te weren. In krimpregio's leidde dat ertoe dat kinderen nergens terecht konden. Daarnaast stimuleerde het segregatie, omdat kinderen van verschillende achtergronden minder in contact kwamen met elkaar. Met name kinderen met een migratieachtergrond werden vaak geweigerd en daardoor werd hun integratie in de samenleving bemoeilijkt. Sinds 2002 probeerden seculiere partijen zoals PvdA, D66, VVD, GroenLinks en SP een acceptatieplicht in te voeren, terwijl christelijke partijen zoals CDA, ChristenUnie en SGP het weigerrecht probeerden te handhaven. Er zijn meerdere keren moties aangenomen in de Tweede Kamer voor de invoering van een acceptatieplicht. Deze moties zijn echter nooit uitgevoerd door de regering, als gevolg van weerstand van vooral christelijke coalitiepartijen.[29]

Financiële gelijkstelling

Zie Financiële gelijkstelling voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De grondwettelijke financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs in Nederland is schaars in de wereld. Op basis van artikel 23 van de Grondwet over de vrijheid van onderwijs mag iedereen een school oprichten en deze naar eigen overtuiging inrichten.[30] Dat geeft ouders de vrijheid om hun kinderen het onderwijs te geven, zonder dat de overheid zich mag bemoeien met de religieuze grondslag van de school. De overheid mag wel enkele kwaliteitseisen stellen.[31] Specifieke kritiek op de financiële gelijkstelling is ontstaan in reactie op de uitbreiding van het islamitisch onderwijs in Nederland.[32]

Toekomst

In januari 2017 pleitte de ChristenUnie ervoor om al het resterende openbaar onderwijs volledig te vervangen met bijzonder onderwijs.[15] Daartegenover staan verschillende groepen en individuen die menen dat juist al het bijzonder onderwijs moet worden afgeschaft, grondig hervormd of in de huidige vorm gehandhaafd moet worden.[33]