Beauford Delaney
| Beauford Delaney | ||
|---|---|---|
![]() | ||
| Algemene informatie | ||
| Geboortedatum | 30 december 1901, 31 december 1901 | |
| Geboorteplaats | Knoxville | |
| Overlijdensdatum | 26 maart 1979, 25 maart 1979 | |
| Overlijdensplaats | 14e arrondissement van Parijs | |
| Begraafplaats | Cimetière parisien de Thiais | |
| Werk | ||
| Beroep | kunstschilder | |
| Werkveld | schilderkunst | |
| Werkplaats | Frankrijk | |
| Studie | ||
| School/ |
Harvard-universiteit, Austin-East High School | |
| Leerling van | Lloyd Branson | |
| Kunst | ||
| Stroming | Harlem Renaissance | |
| Familie | ||
| Broers en zussen | Joseph Delaney | |
| Persoonlijk | ||
| Etniciteit | Afro-Amerikanen | |
| Talen | Engels | |
![]() | ||
graf | ||
| De informatie in deze infobox is afkomstig van Wikidata. U kunt die informatie bewerken. | ||
Beauford Delaney (Knoxville, Tennessee, 30 december 1901 - Parijs, 26 maart 1979) was een Amerikaans kunstschilder.
Zijn eerste artistieke bloei bereikte hij in New York, te midden van de Harlem Renaissance. Op zijn 52ste, vertrok hij naar Parijs, waar hij een van de bekendste kunstenaars van de Afro-Amerikaanse diaspora werd. In zijn jonge jaren werd hij geplaagd door neerslachtige buien en hij worstelde met zijn homoseksuele geaardheid. Zijn leven eindigde in materieel en psychisch verval en na zijn dood verdween hij haast uit het blikveld van de kunstkenners. Begin 21ste eeuw kent zijn werk een vernieuwde waardering.
Levensloop
Eerste jaren
Delaney was het achtste kind in een zwart, conservatief christelijk gezin van tien; slechts vier brachten het tot volwassenheid. Zijn moeder Delia Johnson (1865-1958) was nog in slavernij geboren en bleef ongeletterd maar was een sterke persoonlijkheid.[1] Zij werkte als was- en poetsvrouw. Zijn vader was kapper, maar tegelijk ook (onbezoldigd) predikant in een methodistische kerk. Knoxville was een typisch zuidelijke, gesegregeerde stad, die weinig kansen bood aan zwarte jongeren om in voorspoed op te groeien, laat staan om een culturele bagage op te bouwen.
Toch was dat de voornaamste belangstelling die Beauford met zijn jongere broer Joseph gemeen had en die in de (toen uitsluitend voor zwarte kinderen bestemde) Austin High School ook aangemoedigd werd.
De eigenaar van een winkel waar Beauford, een tiener nog, nu en dan als schoenpoetser werkte, trof toevallig diens schetsboek aan. Hij vond de tekeningen zo goed, dat hij een schilderij - meer bepaald een zeegezicht - bij hem bestelde. Hij zorgde voor doek en schildermaterieel. Beauford had nog nooit de zee gezien, en al evenmin met olie gewerkt. Maar toch kwam er een hoogst individuele marine uit de verf. De opdrachtgever was zo tevreden dat hij Beauford voorstelde aan Lloyd Branson, een Knoxvillese kunstenaar. Branson zag ook wat in de jongen en nam hem in de leer in ruil voor een aantal klusjes. [2]
Branson scherpte hem vooral de kracht van het licht in, voor hem de essentie van elk schilderij, een bekend leerstuk van de impressionistische school en een dat Beauford nooit zou vergeten.
In 1919 overleed zijn vader en wat later werd Knoxville het toneel van ernstige rassenrellen. Beauford besloot dat het beter was een ander oord op te zoeken. Zijn moeder overleed pas in 1958 maar heeft hem slechts één keer teruggezien. Zelfs haar begrafenis heeft hij niet kunnen bijwonen. [3]
Boston (1923-29)
Branson gaf Beauford introductiebrieven mee om in het noordelijke, liberale Boston kunsten te gaan studeren aan verschillende instellingen. Altijd informeel, als vrij student, want hij werkte ’s nachts als portier en kon de inschrijvingsgelden niet betalen. Een diploma heeft hij dan ook nooit behaald. Hij concentreerde zich op de basisvaardigheden van het schilderen en de portretkunst.
In Boston maakte hij kennis met het zwarte activisme voor burgerrechten. Ook ontmoette hij de liberale blanken van de Boston radicals, van wie hij geregeld steun ondervond. Hij leefde er als het ware in drie werelden: die van de welopgevoede zwarte die toegang had tot de artistieke en literaire salons van de (welwillende) blanken, die van de zwarte armen in gore pensions en slecht betaalde nachtelijke arbeid en tenslotte de verboden ontmoetingen van zijn ontluikende homoseksualiteit – die botste met zijn Bijbelse opvoeding, de wet en een maatschappelijk taboe.[4] Die drie werelden woelden in zijn innerlijk en de eerste tekenen van tegenstrijdige ‘stemmen’ in zijn hoofd doken op. Hij kon anderen wel opvrolijken met vlotte praatjes, muziek en grimassen – hij werd algemeen als een aimabele jongen gezien - maar zelf ervoer hij zich als ‘anders’.[5]
New York en de eerste creatieve periode
Lente 1929 verkaste hij naar New York, aangetrokken door de reputatie als wereldcentrum van hedendaagse kunst, en door de Harlem Renaissance, die kansen bood voor zwarte muzikanten en kunstenaars allerhande – hoopte hij. Helaas, bij zijn aankomst in New York had de grote economische depressie net toegeslagen.
Delaneys eerste kennismaking was ontnuchterend. Hij trok meteen naar Harlem, waar de meeste zwarte New Yorkers woonden, werd er door een huisjesmelkster opgelicht en bestolen en belandde blut aan Union Square Park, ging er uitgeput op een bank zitten en keek om zich heen: “ik kwam er snel achter dat de meeste van deze mensen niets omhanden hadden en precies deden wat ik deed: zitten denken hoe ze aan eten zouden komen en waar ze de nacht zouden doorbrengen.”[6] Delaney zag er zwarte sneeuw. Toch ervoer hij er een directe camaraderie met deze lotgenoten “of all races”, berooid, maar ook “seeming very much in a good mood” (die overigens erg goedgeluimd leken). In de eerste jaren ’30 vervulde Delaney allerlei kleine baantjes, daarnaast verkocht hij op de markt sneltekeningen, en schetste hij dansers en muzikanten in de vele jazzclubs die Harlem rijk was.
Daar verdiende hij wat mee en zo kwam hij via via in contact met de Whitney studio Galleries in Greenwich Village - de voorloper van het Whitney Museum of American Art. De curatrice nodigde hem uit werk aan te leveren voor een groepstentoonstelling in februari-maart 1930 van “autodidactische zondagsschilders”. Maar Beauford had een hele portefeuille samengesteld voor de expositie. Het was de eerste tentoonstelling waaraan hij deelnam, en het leverde hem enkele krantenartikelen op. Hij werd ook een tijdje inwonend conciërge en duvelstoejager van de Whitney Studio’s, waardoor hij tal van mensen uit de kunstscene leerde kennen.
Intussen was ook zijn broer Joseph in New York aangekomen. Ze trokken soms samen op maar de relatie was ongemakkelijk – Joseph probeerde een burgerlijk leven op te bouwen, Beauford was daar, alleen al door zijn homoseksualiteit (hij werd minstens één keer toegetakeld door homohaters), maar ook zijn wankele gemoedstoestand, niet toe geneigd. Hoewel hij eigenlijk niet te klagen had over de receptie van zijn werk in media- en kunstenaarskringen, bleef hij toch aan de onderrand van de roem en de samenleving hangen. Ook in zijn meest welvarende Greene street-periode, naar de straat waar hij een tijd een studio had[7], was hij bekend, maar niet in wijde kring; niet ongeliefd maar niet hoog genoteerd bij verzamelaars. Een zwarte kunstenaar? Geen veilige belegging…
Niet onbemind ook. In zijn dagboeknotities komen veel jonge mannen voor, met wie zijn relaties vriendschappelijk en soms erotisch getint waren.[8] Dat was vooral en gedurende lange tijd het geval met de zanger Dante Pavone, al waren ze ‘not technically lovers’ volgens Delaneys biograaf.[9] Beauford heeft Dante vaak afgebeeld [10] – een van de portetten was Dante as Christ – aureool inbegrepen.[11]
Maar hij geneerde zich om met deze vrienden seks te hebben en schakelde hen – volgens zijn biograaf - liever in om straatjongens te werven, met wie hij zich tegen geringe betaling kon laten gaan.[12] Zijn zwarte vrienden in Harlem wisten niets van zijn seksuele escapades en nauwelijks van zijn contacten met welgestelde liberale blanken in the Village, die hem voor een ‘brave neger’[13] aanzagen.
Naast dat verbrokkelde sociale leven waren er nog de hommels in zijn hoofd, stemmen, angsten, die hem vaak radeloos maakten.
Heel zijn moeizame leven lang, was Beauford omringd door vrienden en mensen die om hem gaven. Onder hen, in verschillende periodes: de schrijver Henry Miller, de danser Bernard Hassell[14] ), Charles Gordon Boggs en diens vrouw Gita, schrijver James Jones, de cultuurhistoricus en kunstverzamelaar Richard A. Long.[15]
Met Alfred Stieglitz, een invloedrijke fotograaf en kunstkenner, en diens vrouw, de schilder Georgia O'Keeffe ging het om een meer professionele relatie, maar ook om wederzijdse bewondering. Er zijn vijf portretten bekend die O'Keeffe maakte van Delaney.[16]
In zijn jonge jaren in New York leerde hij ook Willem de Kooning kennen, maar diens adviezen om zijn werk beter in de markt te zetten liet hij aan zich voorbijgaan. [17]
Zijn belangrijkste vriend zou ongetwijfeld James Baldwin worden, ook een homoseksuele zwarte domineeszoon, die hij voor het eerst ontmoette in 1940 toen deze 16 was en op zoek was naar morele steun. De eerder getormenteerde kunstenaar werd dus de leidsman – volgens Baldwin zelf[18] – van de toekomstige schrijver die de invloedrijkste zwarte intellectueel van de VS zou worden.
Geleidelijk raakten de rollen omgekeerd en zou Baldwin hem vaak te hulp schieten, met eigen middelen of door een beroep op meer gegoede sympathisanten. [19]
Kortom, de 25 jaren in New York waren een opeenvolging van op- en neergaand succes – maar slechts sporadisch een comfortabel inkomen - van hechte vriendschappen en oppervlakkige relaties, van stabiele periodes en inzinkingen, van veel bezoeken aan musea en galerieën, maar ook aan drankgelegenheden en -winkels. Alcoholmisbruik droeg bij tot zijn psychotische crises.
Europa, en vooral Parijs 1953-1979
In Boston en zeker in New York had hij zich in de Franse kunst van de 19de en 20ste eeuw verdiept. Tevens wilde hij weg van het dagelijkse racisme. En zijn homoseksualiteit – waarmee hij nog steeds worstelde – zou in Frankrijk maatschappelijk beter aanvaard worden en viel er alvast niet onder het strafrecht. Dat zijn wellicht de redenen waarom hij in 1953 zijn weinige bezittingen inpakte en vertrok hij met het Franse schip Liberté naar Le Havre.
Hij volgde daarbij het spoor van heel wat zwarte (en/of homoseksuele) intellectuelen en kunstenaars, van wie Baldwin – een paar jaar eerder vertrokken - hem het naaste kwam. Aan boord trof hij een kennis, de jonge zwarte schilder Herbert Gentry, die al eerder een paar jaar in Frankrijk had doorgebracht (hij had er onder meer een jazzclub annex galerie uitgebaat) en die hem hielp bij zijn eerste kennismaking met Parijs.[20] Ook Larry Potter, eveneens kunstschilder, voer mee en werd in Parijs een vaste relatie van Beauford.[21] Aanvankelijk had hij niet de bedoeling er de volgende 25 jaar van zijn leven door te brengen, het was een vlucht, eerder dan een plan. Zijn leven in Parijs begon beloftevol maar zou uiteindelijk, al evenzeer als zijn New Yorkse tijd, uitlopen in een materiële en mentale achtbaan. Nieuw waren de contacten met de “négritude”, Afro-Amerikaanse maar ook uit de Franse kolonies afkomstige kunstenaars en muzikanten. Jazz – ook al belangrijk in zijn Harlemtijd - was een vast bestanddeel van zijn sociale leven. Zijn relatie met Larry/Lawrence Calcagno[22][23][24][25][26] een abstracte schilder en eveneens gay, was enige tijd vergelijkbaar met de Dante-episode in zijn vorig leven. Calcagno keerde evenwel in 1956 terug naar de VS, van waaruit hij geregeld brieven en (geld)briefjes aan Beauford stuurde.
In april 1954 maakte Beauford met de communistische zanger en muziekleraar Sergeï Radamsky, die hij wellicht uit Boston kende, een autotocht naar Wenen. Hij bewonderde er vooral Breughels Kruisdraging (de Calvarietocht van Christus). Op de terugweg deden ze ook België en Nederland aan. In zijn schetsboek tekende hij Nederlandse windmolens en enkele Belgische caféscènes.[27]
Hij was nog geen jaar in Parijs, toen hij er voor het eerst deelnam aan een groepstentoonstelling: de 9de Salon des réalités nouvelles in het Musée national des arts modernes.[28]
Na een bezoek aan Madrid in 1955, samen met Calcagno, werd hij daar voor een solotentoonstelling in Galería Clan uitgenodigd, die (in juni 1955) een onverwacht succes meebracht: zes vooral abstracte werken verkocht.
Maar toen Calcagno er niet meer was, en Baldwin na een verblijf in Amerika weer in Parijs aankwam (najaar 1955), trof deze Beauford in een totale verwarring aan. Hij bracht hem onder bij een bevriend paar[29] in Clamart, een rustige voorstad van Parijs – waar Baldwin ook vaak was.
Later zou ook het huis dat Baldwin in 1970 in Saint-Paul-de-Vence kocht, hem geregeld onderdak bieden.
In 1960 kon hij zijn belangrijkste solotentoonstelling houden in de galerie Facchetti in Parijs; haast uitsluitend abstract werk. In de catalogus een oud artikel van Henry Miller.[30]
De expositie wekte een redelijke belangstelling maar was uiteindelijk verliesgevend, wat opgelost werd door aan Facchetti (die Beauford niet alleen als een zakelijke relatie, maar ook als een vriend beschouwde) een aantal schilderijen in betaling te geven.[31] De ruil omvatte overigens ook een beperkt maandgeld.[32]
En als hij dan eens geld verdiende (of kreeg), gaf hij het vaak grotendeels weg aan anderen, die er nog slechter aan toe waren. Zijn persoonlijk leven was, door dat materiële gebrek en zijn onzekere liefdesrelaties, niet gelukkig. “Onze goden, de liefdesgoden, zijn erg lastig, maar die liefhebben, kunnen niet zonder liefde”, aldus Delaney in een brief aan Baldwin.[33] Dat zijn relatie met Baldwin ook seksueel geweest is, lijkt zeker[34] maar zonder toelichting - terwijl de biograaf en de brieven die hij aanhaalt daarover vrij duidelijk zijn; exclusief was ze dan weer voor geen van beiden.
Zomer 1961 zou hij enkele weken doorbrengen in Griekenland, om daar ‘en plein air’ te schilderen. De Amerikaanse ambassade stond in voor zijn verblijf; alles was geregeld door Darthea Speyer, cultureel attaché in Parijs.[35] Maar de reis nam een dramatische wending, omdat Beauford zich achtervolgd voelde door kwaadaardige lieden, die hem voor ‘nigger’, pederast en communist uitscholden. In Patras aangekomen gooide hij plotseling zijn jas, portefeuille en paspoort in zee en sprong er zelf ook in - wat als een poging tot zelfdoding werd begrepen. Een vissersboot kon hem aan boord hijsen en hij werd naar een ziekenhuis gebracht. Na een korte verpleging, werd hij op een bus naar Athene gezet, en werd hij daar als een haveloos, ongeschoren, ongewassen zieke man door de ambassade en de in allerijl overgekomen Darthea Speyer in een psychiatrische inrichting afgeleverd, waar hij enkele weken bleef.
Terug in Frankrijk, volgden nog meerdere opnames en werd ook ernstig nier- en leverfalen bij hem vastgesteld; een strikt alcoholverbod werd hem door de artsen opgelegd. Professor Ahmed Bioud, verbonden aan de Bibliothèque nationale, en verzamelaar die ook een aantal werken van Delaney had gekocht[36] werd in die periode een hechte vriend en mantelzorger.[37] Als zovelen werd ook hij door Beauford geportretteerd.[38]
Men hielp hem aan een flat en studio in Montparnasse, in de rue Vercingétorix, waar hij van 1962 tot 1975 zijn laatste creatieve tijd beleefde. In die jaren zal hij ook nog Florence, Athene en Venetië (de biënnale van 1966) bezoeken, evenals Istanbul – op bezoek bij James Baldwin, die daar een tijd gewoond heeft (1966, 69). En er was een twee weken durend confronterend bezoek aan zijn familie in Knoxville (de kerst- en nieuwjaarsperiode van 1969).
Zijn laatste jaren waren een “race against his voices” (de stemmen die hij hoorde)[39] In 1976 werd hij door een Franse rechter onder curatele geplaatst; hij was niet meer in staat voor zichzelf te zorgen. Hij overleed na een lange ziekteperiode in een psychiatrische inrichting. Schilderen deed hij dan al een tijd nauwelijks meer. Hij werd, als armlastige, begraven in het Cimetière de Thiais.[40]
Vrienden, verenigd in ”Les Amis de Beauford Delaney”, namen in 2009 een concessie en brachten een gedenkplaat aan. De vereniging staat in voor onderhoud en instandhouding, en eert zijn nagedachtenis.[41]
Werk
Delaney’s Bostonse jaren hadden een degelijke academische vorming opgeleverd, wat o.m. blijkt uit zijn schetsboeken uit die tijd [42]
Hoewel hij zich erg verwant voelde met de “civil rights”- beweging, was hij terughoudend om zich als een ‘zwarte kunstenaar’ te profileren – zijn voorbeelden waren immers vooral Europees.
Stilistisch heeft hij vele kanten uitgekeken. Maar een epigoon was hij niet. Hij verdient ruimschoots zijn eigen plaats in de Amerikaanse èn Franse kunstgeschiedenis (waarin de rol van niet-blanken vaak onderbelicht bleef).
Portretkunst
Niet voor niets kopte de New York Times zijn overlijdensbericht: Portraitist of the Famous. [43]
Gedurende zijn hele creatieve leven heeft Beauford portretten getekend en geschilderd. Allereerst om den brode, potlood- en pasteltekeningen, waarbij gelijkenis het belangrijkste criterium was en zijn academische opleiding een grote troef. Van lieverlee ging hij, vooral in olieverf, een meer modernistische richting uit. De gelijkenis is er nog wel, maar er treedt vervorming op en hij brengt een kleurenpalet in, dat sterk door de Franse impressionisten is beïnvloed. Dat Van Goghs werk voor Delaney een belangrijke toegangspoort tot het modernisme was, blijkt onder meer uit de dikke verflagen en het helgele coloriet dat met name in een aantal portretten en stadsgezichten op een geheel eigen manier wordt aangewend. In principe probeert hij de persoonlijkheid van zijn modellen te vatten. Toch is ook wel opgemerkt dat hij vaak meer verborg dan hij prijsgaf in zijn werk [44] (en dan vooral i.v.m. de wel of niet erotische inslag in zijn werk).
Zijn sympathie voor kleurgenoten blijkt uit de vele afbeeldingen van bekende en minder bekende zwarte Amerikanen waaronder de schrijver W.E.B. DuBois, bokser en acteur Canada Lee, en tal van jazzartiesten. Uit zijn New Yorkse tijd dateren portretten van bekende muzikanten die voor hem poseerden: Louis Armstrong, Duke Ellington, Count Basie, de zangeres Marian Anderson[45] en overigens ook de blanke Benny Goodman.
Later, in Parijs, konterfeitte hij nog beroemdheden zoals Charlie Parker en Ella Fitzgerald.[46] Van Rosa Parks – de vrouw uit Birmingham] die weigerde haar plaats in de bus aan een blanke man af te staan- maakte hij een reeks.[47]
Van James Baldwin is een tiental afbeeldingen bewaard, een eerste – het enige naakt, zij het dan, op de suggestieve titel na, preuts - dateert uit 1941 (Black rapture, zwarte extase[48]). Een ander portret van Baldwin als jonge man dateert uit 1949-50.[49]
Maar ook van niet-blanken zijn opvallende beeltenissen overgebleven[50] ): Pablo Picasso (in Parijs, jaartal onbekend [51], Henry Miller[52], UT (Young English Lieutenant (1949), Georgia O’Keeffe, Bernard Hassell, Darthea Speyer (1965)[53] ), politicus Robert Kennedy (kort na diens vermoording, 1968)
Tot zijn latere werk behoort een opvallend portret (1972) van de Franse schrijver Jean Genet (in een dominant groene, plantaardige setting tegen een hoge, vaalgele horizon [54]. Het was deel van de expo van 1973 bij Speyer.
Ook zelfportretten heeft hij bij herhaling gemaakt. Zo zijn werken bekend uit 1944 [55]), uit 1965[56] en, wellicht zijn laatste uit 1971, waarin hij zichzelf enigszins bizar voorstelt in een West-Afrikaans geïnspireerde klederdracht.[57] Dit laatste schilderij maakt deel uit van de expositie Project a Black Planet: The Art and Culture of Panafrica, die in 2024 van start ging in het Art Institute of Chicago en die in november 2025 in het MACBA (Barcelona) te zien is en daarna in Brussel in het museum KANAL-Centre Pompidou.[58].)
Mens in de maatschappij
Maar portretteren was niet zijn enige talent. Delaney toonde vaak de rechtmatige plaats, de zichtbaarheid van de zwarte mens in de maatschappij, en dan vooral in de moderne stad. En dan niet zoals de blanke hem zag, maar vanuit het eigen perspectief, door gezamenlijk leed en onderdrukking, maar ook levensvreugde en strijd, getekend.[59]
Die thematiek bracht hij allengs meer met modernistische en zelfs avant-gardetechnieken in beeld: impressionisme, expressionisme (“almost brutal expressionism” schrijft R. Long)[60], abstrahering
Deze combinatie was in de Amerikaanse en ook Europese kunst zelden vertoond: hedendaagse zwarte mensen waren er immers bijna afwezig. De (vooral New Yorkse) stadsgezichten en genretaferelen (met name maar niet uitsluitend van de zwarte paupers en muzikanten) tonen eerder blijheid en veerkracht dan de neerslachtigheid en angsten, waaraan hij zelf laboreerde. Zo bijv. The Picnic uit 1940 [61]) Een bekender voorbeeld is Can Fire in the Park (Vuurton in het Park) uit 1946:[62] haveloze zwarte mannen die in een plantsoen ’s avonds zijn samengekomen rond een vuurton, een beeld van kameraadschap in de marode, waarvan de schilder een van de personages zou kunnen zijn. De heel eigen beelding vermengt het licht van straatlampen, maneschijn en de vlammen in de ton: een samenvloeiing van bruine, gele, blauwe en groene vlakken laat de balans eerder overhellen naar verwarmend dan naar uitzichtloos. Een ander, bijzonder levendig en zelfs vrolijk (multiraciaal) stadstafereel is Washington Square, New York, uit 1951[63] ).
Zijn liefde voor jazz, als onderdeel van de ‘black pride’ blijkt ook uit een van zijn bekendste werken, het tintelende, gedeeltelijk geabstraheerde, Untitled, jazz club uit 1950.[64] Dit werk contrasteert sterk met het latere, sterk geabstraheerde, Untitled (jazz band) uit 1965 [65]). Ook in die sfeer (en gemengd, al is de enige zwarte hier de kelner) is The time of your life (1945).[66]
Zuivere abstractie
Geleidelijk ging hij al in zijn New Yorkse tijd, en meer nog in zijn Parijse jaren de weg op van wat zou uitlopen - mogelijk onder invloed van Calagno - in zuivere abstractie[67]. Hij wordt omschreven als “een buitengewoon colorist, wiens stijl de overgang maakte van figuratief expressionisme tot lyrische abstractie”.[68]
De zoektocht naar de weergave van het zonlicht speelt, zowel in zijn impressionistisch angehauchte, als in zijn abstracte werk, een belangrijke rol. Een goed voorbeeld is Chartres uit 1954, waarin hij het ‘goddelijke’ licht van de glas-in-loodramen van de beroemde kathedraal jubelend oproept.[69]
Delaney zag geen strakke scheidslijn tussen abstract en figuratief.[70]
Figuratief
Zo blijft hij in zijn latere jaren figuratieve werken leveren, zoals landschappen die aan zijn verschillende reizen herinneren.[71]
Ook zijn er enkele stukken die direct aan traditionele Afrikaanse kunst refereren .[72]
Uit 1970 dateert het portret van een (onbekende) Man in African dress, dat deel uitmaakte van de van oorsprong Zuid-Afrikaanse tentoonstelling die in 2025 in de Bozar te Brussel werd getoond, When We See Us: A Century of Black Figuration in Painting.[73]
Merkwaardig zijn ook twee vibrerende Haïtiaanse genrestukken. Hij is daar nooit geweest, maar werd er ongetwijfeld door aangetrokken via Caraïbische connecties in Parijs.[74]
Werken op papier
Tenslotte bevat zijn nalatenschap een grote hoeveelheid werken op papier, van uiteenlopende kwaliteit, uit alle periodes van zijn creatieve bestaan. Daaraan is in 2025 een overzichtstentoonstelling gewijd in New York, in the Drawing Center.[75]
Om kunstenaar te worden moest je, aldus Delaney zelf in 1940[76] “kunst bestuderen” en dat wilde zeggen “leren zien…, bewust leren worden, en om bewust te worden, moet je leren liefhebben”. Je moest, "door liefde, pijn omzetten in vreugde (celebration)”; liefde en humor gingen samen. De combinatie van liefde en humor, zoals die ook in de blues en in jazz in het algemeen aanwezig is, is volgens Leemer[77] het Afro-Amerikaanse geheim achter de soul van Beaufords doeken.
Hoe vaak hij ook depressief was, zijn werk is niet deprimerend. Evenmin is het expliciet militant: Delaney is eerder uit op het aanvullen van het beeld dat blanke kunstenaars van de mens geven, dan op exclusieve representatie van zwarte figuren. Zelfs Rosa Parks beeldde hij herhaaldelijk af als vrouw die geniet van een rustig zitje op een bank in een park.
Baldwin schreef dat liefde de kern was van Beaufords kunst, “dat grote kunst alleen uit liefde kan ontstaan en dat er nooit een groter minnaar het penseel heeft gehanteerd”.[78] Die verwoording laat Delaney’s wrakke liefdesleven onverlet. Hoe dan ook, liefde en een onmiskenbare joie de vivre waren zowel in zijn portretten, als in zijn Harlemse straattaferelen te merken. Zelf schreef hij in zijn schetsboek over zijn kunst als “de zoektocht naar schoonheid te midden van gevoelsarmoede… Soms in naturalistische afbeeldingen en op een andere dag in uiteenlopende kleurabstracties, meestal van de zon of een of andere lichtbron. Of het kan Marian Anderson zijn, die zingt, of een zwarte jongen die lacht of misschien een kind met een vogel op zijn schouder. Of nog een vrouw die zit te zonnen als was ze in de Hemel. Soms is het een jazzorkestje…” [79]
Het curatorium (de raad die de curatele beheerde, voorgezeten door Baldwin), en broer Joseph, die een deel werken naar Knoxville liet verschepen, hebben ervoor gezorgd dat zijn oeuvre grotendeels bewaard is gebleven. De grootste collectie bevindt zich in het museum van zijn geboortestad. Stukken die niet verkocht zijn worden nog steeds beheerd door de “estate” (erven).
Ontvangst
Tijdens zijn leven was Delaney grotendeels een kunstenaar, die in de kunstwereld zelf en bij zwarte intellectuelen bekend was. Dat hij zwart was, en toch niet uitsluitend de zwarte kaart trok, was slecht voor zijn status in die tijd. Dat hij naar Frankrijk vertrokken was, onttrok hem aan het gezicht in New York, intussen het walhalla van kunst in de westerse wereld. Dat hij Amerikaan was, verhinderde hem door te dringen tot de voorgrond van de Europese kunstscene. Zijn persoonlijkheid was ook niet geschikt voor een puur zakelijke instelling, zijn vrienden hielpen hem overleven (en werken).
Na zijn dood verdween hij voor enkele decennia bijna uit de kunstgeschiedenis (samen met andere Afro-Amerikaanse kunstenaars “written out of mid-century modernist history only because they were Black”, aldus verzamelaar Pamela Joyner in 2021.[80]
Dat is intussen veranderd. Delaney wordt nu erkend als een belangrijke figuur in de (Afro-) Amerikaanse en Franse kunstscene van ca 1930 tot 1975. Zo was hij prominent aanwezig in de tentoonstelling Paris Noir 1950-2000 in het Centre Pompidou in de eerste helft van 2025, waarin hij als een van de spilfiguren wordt opgevoerd. Zijn portret van Marie Anderson prijkt op de achterflap van de catalogus. In 2016 noteerde de New York Times een “growing market appreciation” (toenemende marktwaarde).[81]
Dat klopt. Zo is een abstract werk in 2021 in Knoxville geveild voor 348.000 USD. [82][83]
Werk van Delaney zit in de collectie van tal van belangrijke Amerikaanse musea.
Tentoonstellingen na 2000
- 2002, Beauford Delaney: The Color Yellow, met Richard J. Powell als curator. Diverse musea in de VS, o.a. The High Museum of Art (Atlanta), Smithsonian Institution (Washington DC) en The studio Museum in Harlem (New York).
- 2005, Beauford Delaney: From New York to Paris, opgezet door the Minneapolis Institute of Arts en tentoongesteld in Knoxville Museum of Art, Greenville County Museum of Art, Philadelphia Museum of Art.
- 2013 Beauford Delaney: Internal Light (werk uit de Parijse jaren) Levis Fine Art, New york
- 2016: Beauford Delaney: Resonance of Form and Vibration of Color. Parijs, Columbia Global Centers (Reid Hall) (later dat jaar ook getoond in Las vegas)
- 2017: Knoxville Museum of Art, Gathering Light: Works by Beauford Delaney from the KMA Collection
- 2020, Knoxville Museum of Art: Beauford Delaney and James Baldwin: Through the Strange Door. Over de relatie tussen Delaney en de schrijver.[84][85]
- 2022 Be your wonderful self: The Portraits of Beauford Delaney, OGDEN Museum of Southern art, New Orleans (organisatie Rosenfeld gallery New York)[86]
- 2025 In the medium of Life: Drawings of BD, in The Drawing center New York (waar vroeger het Whitney Museum of American Art gevestigd was).[87]
Trivia
- Een werk van Beauford Delaney Agonie Solaire is afgebeeld op de titelkaft van het boek Le mouvement ouvrier aux Etats-Unis, van de Britse historicus Henry Pelling (uit het Engels vertaald), uitgegeven door Seghers (Vent d’ouest) in 1965. Het abstracte schilderij zelf dateert uit 1963.[88]
- Het Hotel Odessa in de Parijse wijk Montparnasse bracht in 2015 een gedenkplaat voor Delaney aan op zijn gevel. De schilder bracht er in 1953 zijn eerste nacht in Parijs door.[89] Ook hotel M (21 rue de la Gaîte, Paris, heeft een dergelijke herdenkingsplaat sinds 2015. Dat hotel bestond nog niet in Delaneys tijd, maar hij bezocht vaak het restaurant Les Milles colonnes, dat op dat adres gelegen was.[90]
- Poëzie:
- de Amerikaans dichter Cid Corman (1924-2004), die Beauford in Parijs leerde kennen in 1954 en met hem bevriend raakte, wijdde een dichtbundel aan de schilder en zijn werk: Tributary (Edgewise Press, 1999).
- in 2023 verscheen een bundel van Arlene Keizer Fraternal Light: On Painting While Black – Poems for Beauford Delaney (The Kent State University Press) Bekroond met Stan and Tom Wick Poetry Prize.[91]
Externe links
- Een korte introductie over zijn leven en werk is te zien in (en) Tidbits Art History - Ep. 6: Beauford Delaney (video). YouTube (2021). Geraadpleegd op 21 september 2025.
Bronnen
- Beaufords leven is goed gedocumenteerd in een biografie van David Leeming, Amazing Grace: a life of Beauford Delaney (1998, kosteloos voor tijdelijke inzage op te vragen in het Internet Archive). Leeming – die een tijdlang secretaris van James Baldwin was - leerde Beauford in 1966 kennen, haalde hem in Parijs op om samen met hem naar Baldwin in Istanbul te rijden; ze brachten dagenlang samen door. Hij maakte overigens ook verscheidene paranoia-aanvallen van Beauford mee. Leeming kon veel van Beaufords briefwisseling en (ongepubliceerde) dagboekfragmenten, alsook zijn schetsboeken inzien.
- De website/blog van de Amis de Beauford Delaney. is de belangrijkste aanvulling op de biografie en wordt nog geregeld aangevuld; men vindt er ook veel afbeeldingen en vooral veel nieuws over zijn leven na de dood.
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Beauford Delaney op de Engelstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
- Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Beauford Delaney op de Franstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
Literatuur
- David Leeming (1998). Amazing Grace: a life of Beauford Delaney.
- Michael Rosenfeld gallery (NY) bracht twee boeken met reproducties en commentaren uit:
Beauford Delaney: Liquid Light—Paris Abstractions, 1954–1970 (1999) Be Your Wonderful Self: The Portraits of Beauford Delaney (2022)
- ↑ Beauford heeft haar enkele keren geschilderd. Op het bekendste (postume) portret uit 1964, in een gelige olieverf, kijkt ze ons, als een toonbeeld van rust, haast recht in de ogen – alsof de auteur wilde zeggen ‘al heb ik haar sinds jaren niet meer gezien, haar aanblik zal ik nooit vergeten’. Het portret is afgebeeld op de site van het Ogden Museum of Southern Art, New Orleans – waar het in 2022 deel uitmaakte van de expo Be Your Wonderful Self, zie https://ogdenmuseum.org/exhibition/be-your-wonderful-self/beauford-delaney-1901-1979-mothers-portrait-aka-portrait-of-delia-delaney-1964/, bezocht 10/8/2022. Een eerder portret (1933) is afgebeeld op https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2017/07/beauford-in-psychology-and-art-part-3.html, bezocht 15/8/2025
- ↑ Amazing Grace, p 14.
- ↑ Amazing Grace, 138
- ↑ Paris Noir, blz 240
- ↑ Amazing Grace, p 27
- ↑ citaat uit zijn dagboeknotities, zoals weergegeven in Amazing Grace, p32. Het dagboek is niet uitgegeven maar wordt uitvoerig aangehaald in de biografie
- ↑ in SoHo, net buiten de Village; zie het kleurrijke schilderij Greene street uit 1946 op https://www.villagepreservation.org/2020/02/18/beauford-delaney-harlem-renaissance-abstract-painter/ bezocht 15/8/2025
- ↑ Amazing Grace, zie p. 51
- ↑ Amazing Grace, p55
- ↑ “for a while his principal subject”, aldus Henry Miller in The amazing and invariable Beauford D., 1945)
- ↑ nu in het Knoxville Museum of art. Geraadpleegd op 22 september 2025.
- ↑ Amazing Grace, 55
- ↑ ‘good negro’ - Amazing Grace, p. 56
- ↑ 1930–1991, danser, werkte als doublure in de Folies Bergères. Ook diens levenspartner, kunstschilder Richard Olney – zie http://www.elisarolle.com/queerplaces/a-b-ce/Bernard%20Hassell.html, bezocht 20/8/2025
- ↑ ‘Robert’, Afro-Amerikaans cultuurhistoricus, schrijver en verzamelaar. Long nam een lang interview van hem af in Parijs in 1970, dat gepubliceerd werd in de catalogus voor een retrospectieve tentoonstelling in New York 1978, waarvan hij curator was. Hij getuigde over zijn relatie met Beauford
- ↑ sommige in houtskool andere in pastel zie https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2010/08/beauford-georgia-okeeffe-portraits.html , bezocht 31/7/2025
- ↑ Out of the Shadows, the Queer life of Artist Beauford Delaney. Geraadpleegd op 31 juli 2025.
- ↑ Paris Noir 195-2000, tentoonstellingscatalogus van het Centre Pompidou, 2025, passim
- ↑ Baldwin schreef o.m. in The Price of the Ticket, Als Beauford en Mrs. Anderson – de zangeres – deel uitmaakten van mijn erfgoed, dan was ik deel van hun hoop.
- ↑ Amazing Grace, p. 111 e.v.
- ↑ Debra Bricker Balken § Lynn Gumpert: Americans in Paris, Artists working in postwar France" 2022, p 171. Z. ook Paris Noir, p. 71. Hij stierf in Parijs in 1966.
- ↑ over de vriendschap met Delaney zie Amazing grace, 117: “It is fair to say that he was in love with Larry Calcagno: the relation was intellectually intense, but for the most part physically platonic"
- ↑ A Boundless Love: Beauford Delaney’s Letters to Larry Calcagno op http://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2016/08/a-boundless-love-beauford-delaneys.html
- ↑ https://www.amargallery.com/lawrence-calcagno
- ↑ https://wellsinternationalfoundation.org/larry-calcagno-1953, met Delaney’s Portret van Calcagno, alle bezocht 4/9/2025.
- ↑ Calcagno portretteerde Delaney in 1973: afb. op https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2011/07/larry-calcagnos-portrait-of-beauford.html
- ↑ over deze reis, zie Amazing Grace p. 122
- ↑ 1954- Amazing Grace vermeldt twee tentoonstellingen, maar heeft het over het negende Salon des Jeunes peintres, wat niet in dat jaar en niet in dat museum plaatsvond. Aan het salon des réalités nouvelles zou Delaney ook nog werk bijdragen in 1960 en ’63: zie https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2018/09/beauford-and-frances-modern-art-museum.html, bezocht 15/8/2025
- ↑ vtnt: Bernard Hassell en Richard Olney, Amazing Grace, 127
- ↑ H.Miller: The Amazing and invariable Beauford D., 1945, opnieuw uitgegeven in 1978 n.a.v. een tentoonstelling in The Studio Museum in Harlem, New York; ook opgenomen in Millers verzamelbundel Remember to remember, 1986)
- ↑ https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2015/05/beaufords-solo-show-at-paul-facchetti.html.
- ↑ Amazing grace, p 143
- ↑ 13 december 1954. Our gods, the gods of love are very difficult, but lovers can’t help being lovers’- agh in Amazing grace blz 125
- ↑ contra: Dr. Amari Jackson, “Oil on the Water: “Light Reflections on Baldwin and Delaney”, https://www.blackartinamerica.com/blogs/news/oil-on-the-water-light-reflections-on-baldwin-and-delaney (bezocht 16/8/2025
- ↑ later heeft ze zich als galeriste gevestigd (1968) en heeft ze Delaney vertegenwoordigd,zie ook L. Gumpert & D.B. Balken, “Americans in Paris”; Artists working in postwar France 2022, p. 144, catalogus Hirmer and the Grey Art Museum, 2024-5. Zie ook: https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2010/01/beauford-at-galerie-darthea-speyer.html
- ↑ 9 daarvan werden in december 2018 geveild door het Franse veilinghuis ADER, zie https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2018/12/ahmed-biouds-beauford-delaney.html, bezocht op 30/7/2025)
- ↑ https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2018/12/ahmed-biouds-beauford-delaney.html bezocht 25/7/2025
- ↑ in 1964, olie op doek; bevindt zich in de Ewing Gallery, University of Tennessee, zie Amazing grace 165
- ↑ Amazing grace 179
- ↑ Cimetière de Thiais. Geraadpleegd op 22 september 2025.
- ↑ https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2010/02/beaufords-eternal-home-thiais-cemetery.html, bezocht 21/7/2025
- ↑ Ekin Erkan (2025). In the Medium of Life: The Drawings of Beauford Delaney. Bespreking van een tentoonstelling in New York. The Drawing center. Geraadpleegd op 5 augustus 2025.
- ↑ New York Times, 1 april 1979, https://www.nytimes.com/1979/04/01/archives/beauford-delaney-painter-dies-portraitist-of-the-famous-was-77.html, bezocht 16/8/2025
- ↑ Hilton Als: Beauford Delaney’s light and faith, The New Yorker, 17 juli 2025, https://www.newyorker.com/culture/the-art-world/beauford-delaneys-light-and-faith, bezocht 20/8/2025
- ↑ in 1965,zij was ook een goede kennis; zie https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2011/05/beaufords-portraits.html, bezocht 24/8/2025
- ↑ beide portretten uit 1968, afgebeeld op https://www.wikiart.org/en/beauford-delaney, bezocht 10/8/2025
- ↑ vaak schetsen, zie: I will not be moved, film van dr Mary Campbell en het Knoxville Museum of art, eerste deel van een film over de tentoonstelling “Through the unusual door, Beauford Delaney James Baldwin (2020) https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2020/09/i-will-not-be-moved-look-at-beaufords.html, bezocht 25/7/2025)
- ↑ onder meer afgebeeld op de website van Wells international Foudation, https://wellsinternationalfoundation.org/dark-rapture-1941/, bezocht 5/7/2025. Zie ook: https://www.wikiart.org/en/beauford-delaney/, bezocht 10/8/2025 Dat de geportretteerde de toen ongeveer 17-jarige Baldwin is wordt algemeen aanvaard, maar is niet door Delaney of de schrijver zelf bevestigd. De gelaatstrekken zijn op dit eerste werk te zeer verdoezeld voor een 100% zekere identificatie)
- ↑ zie afbeelding bovenaan https://ogdenmuseum.org/exhibition/be-your-wonderful-self/, bezocht 24/8/2025
- ↑ allemaal te vinden op: https://ogdenmuseum.org/exhibition/be-your-wonderful-self/
- ↑ https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2014/07/beauford-and-pablo-picasso.html
- ↑ het portret van Henry Miller werd overgenomen in Playboy van november 1971
- ↑ zie https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2014/06/les-amis-pays-homage-to-darthea-speyer.html, bezocht 2/9/2025
- ↑ in 2010 verkocht voor 10625 € bij Christies in Parijs: https://www.christies.com/en/lot/lot-5335932, met afbeelding, bezocht 21/7/2025
- ↑ nu in het Art Institute of Chicago, zie https://www.artic.edu/artworks/111629/self-portrait, bezocht 5/8/2025
- ↑ nu in de collectie van het Whitney museum of American art opgenomen https://whitney.org/collection/works/9421, bezocht 28/8/2025
- ↑ nu in het Knoxville Museum of Art, zie https://www.npr.org/2022/04/05/1089561361/knoxville-and-paris-make-plans-for-beauford-delaneys-art-to-get-its-due, bezocht 5/8/2025
- ↑ https://www.artic.edu/exhibitions/10157/project-a-black-planet-the-art-and-culture-of-panafrica, beide bezocht 2/9/2025. Het werk wordt besproken op de video over deze expo ongeveer op minuut 6.45 - op: https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2025/03/beaufords-art-on-view-current.html
- ↑ Nog Baldwin over BD: “Hij werd voor mij een voorbeeld van bescheidenheid en passie, moed en integriteit, een absolute integriteit: ik heb hem vaak helemaal van de kaart geweten, en ik heb lang genoeg geleefd om hem als een gebroken man te zien, maar nooit heb ik hem het hoofd zien buigen.” (geciteerd door Hilton Als in Paris Noir, 242)
- ↑ https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2010/04/richard-long-and-beauford-d/elaney.html, bezocht 16/8/2025. Daar is ook een van de portretten weergegeven die Beauford van Long zelf schilderde, in 1965
- ↑ afbeelding op https://michaelrosenfeld.com/artists/beauford-delaney, bezocht 20/8/2025
- ↑ Het doek berust nu in het Smithsonian American Art Museum, afbeelding o.m. op https://thewestmoreland.org/blog/beauford-delaneys-can-fire-in-the-park/, bezocht 8/9/2025
- ↑ zie de afbeelding op https://scalawagmagazine.org/2022/06/beauford-delaney/, bezocht op 5/8/225
- ↑ afgebeeld op https://www.wikiart.org/en/beauford-delaney, bezocht 10/8/2025
- ↑ afbeelding o.m. in Paris Noir, blz 78
- ↑ afgebeeld in de New York Times van 8/9/2016, https://www.nytimes.com/2016/09/08/arts/international/beauford-delaney-returns-to-the-scene.html bezocht op 19/8/2025
- ↑ hoewel het puur abstracte “Untitled, aka Yellow Light Swirling al uit 1942 dateert; vgl. met Untitled uit ca 1957, beide opgenomen in “Paris Noir”. Zie catalogus p 57
- ↑ inleiding tot de tento 2022 in Ogden Museum, ogdenmuseum.org, bezocht 21 juli 2025
- ↑ het werk werd afgebeeld in The NewYorker van 17/7/2025, website https://www.newyorker.com/culture/the-art-world/beauford-delaneys-light-and-faith
- ↑ “There are no precise limits for me between ‘abstract’ and ‘figurative”aangehaald op https://www.africanamericanliterature.net/reading-black/stephen-c-wicks-editor-beauford-delaney-and-james-baldwin-through-the-unusual-door-knoxville-museum-of-art-2020/, bezocht 19/8/2025. Zie ook Glenn Ligon: “In your paintings, the line between figuration and abstraction is always porous.”, in Stephen C. Wicks, editor: Beauford Delaney and James Baldwin: Through the Unusual Door (Knoxville Museum of Art, 2020)
- ↑ zie bijv Paris rooftops, Montmartre uit 1965 weer helemaal realistisch, afgebeeld op https://www.wikiart.org/en/beauford-delaney, bezocht 18/8/2025
- ↑ Zie bijv. Untitled (Totem of Light) uit 1970, afgebeeld in cat. Paris Noir blz 77
- ↑ zie de catalogus, When We See Us: A Century of Black Figuration in Painting” published by Thames & Hudson and Zeitz MOCAA and edited by Koyo Kouoh 2023, blz 132-3
- ↑ Marché uit 1963 en Fresco vendor, Port au Prince uit 1964, beide afgebeeld op https://www.wikiart.org/en/beauford-delaney, bezocht 18/8/2025. Zie ook het hoofdstuk Des artistes d’ Haïti en circulation: Port-au-Prince-Paris, in Paris Noir, catalogus p. 104
- ↑ In the Medium of Life: The Drawings of Beauford Delaney. Het gaat overigens ook om schetsen, gouaches en pastels. https://drawingcenter.org/exhibitions/beauford-delaney, bezocht 23/8/2025). Zie ook bespreking van in The New York Times, 11Juli 2025, Section C, Page 5 en https://www.nytimes.com/2025/07/10/arts/design/beauford-delaney-drawings-watercolors.html - bezocht op 23/8/2025
- ↑ in een dagboeknotie, aghd in Amazing grace, p. 65
- ↑ Amazing Grace, 66
- ↑ (en) Baldwin, Inleiding tot de tentoonstelling Beauford Delaney: a retrospective. Gallery Lambert (1964). Geraadpleegd op 16 augustus 2025.
- ↑ Amazing Grace, 186
- ↑ n.a.v. een schenking aan het San Francisco Museum of Modern Art, zie https://news.artnet.com/art-world/sfmoma-gift-pamela-joyner-alfred-giuffrida-1950427, bezocht op 21/7/2025
- ↑ New York Times, 8/9/2016
- ↑ raming was 60 à 70.000.zie https://caseantiques.com/item/abstract-oil-on-canvas-painting-attrib-beauford-delaney/ bezocht 23/8/2025
- ↑ In 2022 verkocht Christie’s in Londen een van de Baldwinportretten (uit 1966) voor 1.026.000 pond – ca 1.180.000 euro) zij maken melding van een tiental resultaten van meer dan 100.000 pnd/115.000€.(vtnt. https://www.christies.com/en/artists/beauford-delaney?lotavailability=All&sortby=relevance, bezocht 23/8/2025)
- ↑ https://burnaway.org/daily/beauford-delaney-james-baldwin-knoxville/ (bespreking door Jennifer R. Bernstein, bezocht 5/7/2025)
- ↑ https://knoxart.org/.
- ↑ veel afbeeldingen op https://www.ogdenmuseum.org
- ↑ bespreking door Ekin Erkan in Brooklyn Rail.org, july/august 2025
- ↑ (en) Beauford's Agonie Solaire as Book Cover (23 november 2013). Geraadpleegd op 22 september 2025.
- ↑ bevestigd in Amazing Grace en https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2016/05/beaufords-paris-beaufords-hotel-odessa.html; zie ook https://www.hotel-odessa.com/en/category/a-bit-of-history, beide bezocht 2/9/2025)
- ↑ zie Amazing Grace en https://lesamisdebeauforddelaney.blogspot.com/2015/06/beauford-delaney-plaque-installed-at.html
- ↑ (en) Arlene Keizer. Geraadpleegd op 24 september 2025.

