Barbara van Ursel
_Marienkapelle_Mensa-Alt%C3%A4rchen.jpg)
Barbara van Ursel (†1621)[1] was een Zuid-Nederlandse edelvrouw, begijn en vermoedelijk ook houtsnijderes.
Leven
Ze was een dochter uit het huwelijk (1546) van ridder Lancelot van Ursel en diens derde vrouw Adriana Rockox. Als begijn in het Sint-Catharinabegijnhof van Antwerpen werkte ze mee aan de devotie die de aartshertogen Albrecht en Isabella creëerden rond Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel: na het vellen van de miraculeuze eik was Barbara van Ursel een van degenen die uit het hout ervan officiële kopieën van het miraculeuze Mariabeeld mochten maken.[2] Vermoedelijk kwam haar exemplaar terecht in de Carolus Borromeuskerk.[3] Op 17 oktober 1605 verleende bisschop Johannes Miraeus van Antwerpen veertig dagen aflaat aan wie haar beeldjes vereerde op een Mariafeest.[4]
Aangezien Barbara begijn bleef en zelfs grootmeesteres werd, had ze geen nageslacht. Bovendien stond de naam Ursel op uitsterven, want haar ouders hadden alleen dochters gekregen. Ze vond een oplossing door op 4 maart 1617 haar neef Conrad Schetz, zoon van haar halfzus Catharina, te adopteren, mits hij haar naam en haar wapen aannam voor zichzelf en zijn nakomelingen.[5]
Voetnoten
- ↑ René Vermeir en Guido Marnef (red.), Adel en macht. Politiek, cultuur, economie, 2004, p. 38. ISBN 9789042302525
- ↑ Sarah Joan Moran, "Bringing the Counter-Reformation Home. The Domestic Use of Artworks at the Antwerp Beguinage in the Seventeenth Century" in: Simiolus, 2016, nr. 3, p. 152
- ↑ Sarah Joan Moran, "Resurrecting the ‘Spiritual Daughters’: the Houtappel Chapel and Women's Patronage of Jesuit Building Programs in the Spanish Netherlands" in: Women and Gender in the Early Modern Low Countries, 1500–1750, Brill, 2019, p. 269. DOI:10.1163/9789004391352_010
- ↑ Luc Duerloo en Marc Wingens, Scherpenheuvel. Het Jeruzalem van de Lage Landen, Davidsfonds, 2002, p. 39
- ↑ Koen De Vlieger-De Wilde en Joke Bungeneers, "Kasteel d'Ursel in Hingene: from maison de plaisance to ducal lieu de mémoire?" in: Revue belge de philologie et d'histoire, 2010, p. 461. DOI:10.3406/rbph.2010.7933