Bakkeleien

Bakkeleien betekent ruziemaken, vechten[1] of bekvechten.[2] Het gaat daarbij meestal over relatief onbelangrijke zaken.[3][4]

Etymologie

Het woord is in het Nederlands terechtgekomen als leenwoord uit het Maleis. Het wordt in oudere teksten ook onder meer gespeld als bakkelaayen,[5] bakkelaaien of bakkeleyen. Het oorspronkelijke Maleisische woord was bĕrkalah of bekkĕlahi.[6] Kelahi betekent in het Maleis strijd of twist,[7] en het voorvoegsel ber betekent "bezig zijn met."[8][4]

Het woord zoals dat nu in het Nederlands wordt gebruikt, laat een betekenisvernauwing zien.[8] De oorspronkelijke betekenis "vechten, op de vuist gaan" is afgezwakt, waardoor het een synoniem is geworden voor "hakketakken", "kibbelen", "kijven" en "kissebissen".

De eerste schriftelijke vermelding in het Nederlands dateert volgens een van de bronnen uit 1668.[3] Een andere bron geeft een vermelding uit 1645, in de toneelwerken van Willem Ogier:[9]

De kramer komt ten slotte bij Neel, maar deze is met zijn praten niet gediend; 't wordt ruzie en de twee gaan aan 't bakkeleien. Dries, teruggekeerd, moedigt de vechters aan;

Het woord is ook in enkele andere talen overgenomen: in het Deens als bakkeleje, in het Duits als verbakelaien[10] en in het Afrikaans als baklei.[2]

Vechtboot

Het grondwoord bakkelei komt voor in de samenstelling bakkeleiprauw: een prauw (boot) gebruikt om te vechten.[3] Deze samenstelling stamt uit 1620. Bakkeleiprauwen waren door de Nederlanders van de VOC veroverde inlandse vaartuigen in (het latere) Nederlands-Indië, waarmee zowel geroeid als gezeild kon worden. Ze waren bestemd voor de vervolging van de prauwen van de oorspronkelijke Indische bevolking. Hun prauwen konden door te roeien tegen de wind in varen, waardoor ze aan de Nederlanders konden ontsnappen.[11] Na 1685 was het gebruik van deze bakkeleiprauwen verdwenen, maar bakkeleien is een gangbaar Nederlands woord gebleven.[11]

Zoek bakkeleien op in het WikiWoordenboek.