Autonome Socialistische Sovjet-Bergrepubliek

Горская Автономная Социалистическая Советская Республика
Autonome socialistische sovjetrepubliek in de Sovjet-Unie
 Bergrepubliek van de Noordelijke Kaukasus
 Noord-Kaukasisch emiraat
1921  1924 Kabardijnse Autonome Oblast 
Kabardino-Balkaarse Autonome Oblast 
Karatsjaj-Tsjerkessische Autonome Oblast 
Tsjetsjeense Autonome Oblast 
Noord-Ossetische  Autonome Oblast 
Ingoesjetische Autonome Oblast 
Kaart
Algemene gegevens
Hoofdstad Vladikavkaz
Oppervlakte 44.600 km² (1921)
Bevolking 800.000 (1921)
Talen Russisch, Tsjetsjeens, Ingoesjetisch, Ossetisch, Karatsjaj-Balkaars, Kabardijns
Religie(s) Islam, Russisch-Orthodox
Munteenheid Roebel
Regering
Regeringsvorm Autonome socialistische sovjetrepubliek

De Autonome Socialistische Sovjet-Bergrepubliek[2] (Russisch: Горская Автономная Социалистическая Советская Республика; Gorskaja Avtonomnaja Sotsialistitsjeskaja Sovetskaja Respoeblika) of kortweg Bergrepubliek was een autonome socialistische sovjetrepubliek (ASSR) in de Russische SFSR, gelegen in de Noordelijke Kaukasus, die bestond van 1921 tot 1924.

Geschiedenis

Tijdens de Russische Burgeroorlog (1917-1922) werden in de Noordelijke Kaukasus van bolsjewistisch Rusland verschillende politieke entiteiten uitgeroepen, waaronder de autonome sovjetrepublieken Terek (1918) en Noord-Kaukasus (1918), de onafhankelijke Bergrepubliek van de Noordelijke Kaukasus (1917) en het Noord-Kaukasisch emiraat (1919), die overlappende territoriale claims hadden.

Als gevolg van het verloop van de burgeroorlog hadden deze republieken elk een kort bestaan van hooguit enkele jaren en consolideerden de Russische bolsjewieken in 1920 hun macht in de Noordelijke Kaukasus door de overwinningen van het Rode Leger op de Witten. De vorming van de autonome Sovjet-Bergrepubliek kort daarna markeerde het begin van de Sovjetstaatsvorming in de Noordelijke-Kaukasus en was de eerste vorm van nationale autonomie voor de bergvolken binnen de Russische SFSR en later de Sovjet-Unie.[3]

Oprichting

Het verenigen van de Noord-Kaukasische bergvolken in een autonome republiek begon vanaf medio herfst 1920 vorm te krijgen. Lokale partijleden in de regio Terek waren het in eerste instantie niet eens met een dergelijke autonome republiek en het voorstel daartoe werd door de lokale vertegenwoordigers verworpen. Op 20 oktober 1920 hield Jozef Stalin overleg om het voorstel er alsnog doorheen te drukken.[4]

Op 17 november 1920 kondigde Stalin in Vladikavkaz de oprichting aan van een autonome Sovjet-Bergrepubliek binnen de Russische SFSR. Stalin's visie hierbij was dat de bergvolken van de Kaukasus zichzelf eindelijk zouden kunnen besturen, maar ook om de bergvolken en Kozakken bestuurlijk van elkaar te scheiden.[4] Op 20 januari 1921 werd de Autonome Socialistische Sovjet-Bergrepubliek officieel per decreet opgericht met als hoofdstad Vladikavkaz. De republiek had bij oprichting een oppervlakte van 44.600 km².[3]

De districten van de Bergrepubliek (1921).

De republiek werd ingedeeld in zes nationaliteitsdistricten (okroeg), die de verschillende etnische volken representeerden, namelijk Balkarië (Balkaren), Kabardië (Kabardijnen), Karatsjai (Karatsjajers), Ossetië (Osseten), Ingoesjetië (Ingoesjen) en Tsjetsjenië (Tsjetsjenen).[5] In het najaar van 1921 kwam daar nog een zevende bij, Soenzjenski Kozakken, dat afgesplitst werd van Tsjetsjenië.[3] Hoofdstad Vladikavkaz had een aparte bestuurlijke status, evenals de stad Grozny vanwege de daar aanwezige olievelden. De ervaring met opstanden van de voornamelijk islamistische bergbewoners bracht Moskou er toe de wetgeving gebaseerd op sharia en de adab toe te staan.[4]

Desintegratie

De republiek was een anomalie binnen het Sovjet-nationaliteitsbeleid, vanwege het ontbreken van één dominante etnische groep binnen haar grenzen. De disbalans tussen de verschillende bevolkingsgroepen, maar ook onopgeloste sociaal-economische problemen, met name de landkwestie, gaven aanleiding tot interetnische spanningen. De republiek viel dan ook het snelst uit elkaar van alle Sovjetbestuursstructuren in de Kaukasus.[4]

Het centraal gelegen district Kabardië scheidde zich in september 1921 als eerste al na negen maanden af als de Kabardijnse Autonome Oblast in de Russische SFSR. Dit gebeurde met instemming van het Volkscommissariaat voor Nationaliteiten van de Russische SFSR dat onder leiding stond van Stalin. Na de onderwerping van het buurland de Democratische Republiek Georgië aan de Sovjets in februari 1921 stond ook Stalin minder positief tegenover de Bergrepubliek.[6]

De Kabardijnen voelden zich genoodzaakt tot afscheiding omdat Balkarië, Karatsjai en Ossetië grenscorrecties eisten voor meer landbouwgrond ten koste van Kabardië, waarbij ook volksverhuizingen werden afgedongen. Ze vreesden tevens dat door integratie met minder ontwikkelde gebieden hun culturele en economische ontwikkeling geremd zou worden.[6] De Kabardische afscheiding had een kettingreactie tot gevolg. In januari 1922 scheidden ook Balkarië en Karatsjai zich af en werden aparte entiteiten in de Russische SFSR. Balkarië fuseerde met de pas opgerichte Kabardijnse autonome oblast als de Kabardino-Balkaarse Autonome Oblast en Karatsjai ging verder als de Karatsjaj-Tsjerkessische Autonome Oblast. De Bergrepubliek halveerde hierdoor in een jaar tijd in oppervlak.

In november 1922 werd het Tsjetsjeense district eveneens afgescheiden en omgevormd tot de Tsjetsjeense Autonome Oblast, waardoor alleen Ossetië, Ingoesjetië en Soenzjenski over waren in de Bergrepubliek. Op 7 juli 1924 werd de Bergrepubliek opgeheven en werden deze drie districten aparte autonome entiteiten in de Russische SFSR als de Noord-Ossetische Autonome Oblast, Ingoesjetische Autonome Oblast en de okroeg Soenzjenski Kozakken.[3] Deze laatste kreeg de bestuurlijke rechten van een goebernija (gouvernement).[7] De vijf gebieden bestaan nog steeds als autonome republieken binnen Rusland: Kabardië-Balkarië, Karatsjaj-Tsjerkessië, Ingoesjetië, Noord-Ossetië en Tsjetsjenië.

Referenties