Augustin Barruel

Augustin Barruel
Portret van Augustin Barruel
Portret van Augustin Barruel
Persoonsgegevens
Volledige naam Augustin de Barruel
Geboortedatum 2 oktober 1741
Geboorteplaats Villeneuve-de-Berg, Ardèche, Frankrijk
Overlijdensdatum 5 oktober 1820
Overlijdensplaats Parijs
Nationaliteit Frans
Opleiding en beroep
Opleiding gevolgd aan Collège de FranceBewerken op Wikidata
Beroep Jezuïet, schrijver, polemist
Werken
Bekende werken Mémoires pour servir à l'Histoire du Jacobinisme
Portaal  Portaalicoon   Literatuur
Vrijmetselarij

Augustin Barruel (Villeneuve-de-Berg, 2 oktober 1741 – Parijs, 5 oktober 1820) was een Franse jezuïet, schrijver en contrarevolutionair publicist. Hij werd vooral bekend door zijn vijfdelige Mémoires pour servir à l'Histoire du Jacobinisme (1797–1799), waarin hij stelde dat de Franse Revolutie het gevolg was van een georganiseerde ondermijning van Kerk en monarchie door filosofen, vrijmetselaren en illuminaten. Het werk geldt als een invloedrijke tekst uit de vroege geschiedenis van de samenzweringsliteratuur.[1]

Levensloop

Jeugd en vorming

Barruel was de zoon van Antoine de Barruel, heer van Chaix, en Madeleine Meunier de La Coste. Hij volgde zijn opleiding aan het college van Tournon en trad in 1756 toe tot de Sociëteit van Jezus. Na de opheffing van de orde in Frankrijk (1764) doceerde hij in Bohemen en Moravië, waar hij in 1768 tot priester werd gewijd. Na de algehele opheffing van de orde door paus Clemens XIV (1773) keerde hij terug naar Frankrijk, waar hij als huisleraar bij adellijke families werkte.[2]:10–12

Vroege publicaties

Vanaf 1774 publiceerde Barruel poëtische en politieke teksten, waaronder de Ode sur le glorieux avènement de Louis-Auguste au trône. Hij werkte mee aan het tijdschrift L'Année littéraire van Élie Fréron en publiceerde in 1781 de Helviennes, brieven gericht tegen de encyclopedisten en de ideeën van de Verlichting. Tijdens de eerste jaren van de Franse Revolutie gaf hij het kerkelijke tijdschrift Journal ecclésiastique uit, waarin hij zich verzette tegen de Constitution civile du clergé en de onderwerping van de Kerk aan de staat.[2]:23–24, 47

Ballingschap in Engeland

In 1792 vluchtte Barruel, als tegenstander van de revolutionaire regering, naar Londen. Daar vond hij steun bij Britse katholieken en bij Edmund Burke, die ondanks zijn eigen lidmaatschap van de vrijmetselarij waardering uitsprak voor Barruels werk.[3] In Londen schreef hij Histoire du clergé pendant la Révolution française (1793), waarin hij de vervolgde geestelijkheid verdedigde. Tegelijkertijd werkte hij aan zijn magnum opus, de Mémoires pour servir à l'Histoire du Jacobinisme, gepubliceerd tussen 1797 en 1799.[4]

Terugkeer naar Frankrijk

Na het Staatsgreep van 18 brumaire keerde Barruel in 1802 terug naar Frankrijk. Hij werd door Napoleon benoemd tot kanunnik van de Notre-Dame van Parijs. In 1803 publiceerde hij Du Pape et de ses droits religieux, een verdediging van het Concordaat van 1801, waarmee hij de verzoening tussen Kerk en staat ondersteunde.[5] Na het herstel van de Jezuïeten in 1814 trad hij opnieuw tot de orde toe en legde in 1816 zijn definitieve professie af.[6] Hij overleed in 1820 in Parijs.

Mémoires pour servir à l'Histoire du Jacobinisme

Titelblad van de Mémoires (deel 1)

Inhoud en strekking

Barruels Mémoires verschenen in vijf delen (1797–1799) en werden vertaald in meerdere Europese talen. Het werk poogde de oorsprong van de Franse Revolutie te verklaren vanuit een katholiek en monarchaal wereldbeeld. Volgens Barruel bestond er een drieledige ondermijning:

  1. een antichristelijke beweging van verlichte filosofen die het gezag van troon en altaar wilden breken;
  2. een esoterische traditie van vrijmetselaren die universele gelijkheid en rationalisme predikten;
  3. en de infiltratie van de illuminaten van Adam Weishaupt, die de revolutie van binnenuit zouden hebben gestuurd.[4]

Barruel zag in deze ontwikkeling de voortzetting van middeleeuwse ketterijen en van de in 1312 opgeheven orde van de Tempeliers. Hij betoogde dat hun denkbeelden via de vrijmetselarij waren overgeleverd. De stelling vormde de kern van een nieuwe, religieus geïnspireerde complottheorie die zich onderscheidde van de seculiere kritiek van Edmund Burke.[7]

Relatie met Robison

Barruels these vertoont sterke overeenkomsten met het gelijktijdig verschenen Proofs of a Conspiracy (1797) van de Schotse natuurkundige John Robison. Beiden zagen de illuminaten als kern van een internationaal netwerk dat politiek en religie wilde ondermijnen.[8] Volgens Barruel waren echter de vrijmetselarij en zelfs de Tempeliers de vroegste dragers van deze "antichristelijke" traditie, terwijl Robison zijn oorsprong vooral bij de illuminaten zocht.

De Simonini-brief

In 1806 ontving Barruel een brief van de Italiaanse soldaat Giovanni Battista Simonini, waarin werd beweerd dat ook de Joden bij het vermeende complot betrokken waren. Hoewel Barruel de inhoud niet publiceerde, werd de brief in latere decennia aangehaald als een van de vroegste bronnen voor de theorie van de judéo-maçonnerie.[4] De authenticiteit van de brief als onzeker, maar benadrukt dat zij grote invloed had op latere antisemitische literatuur.[9]

Invloed en receptie

Barruels Mémoires werden breed gelezen in contrarevolutionaire en katholieke kringen. Zijn denken beïnvloedde tijdgenoten als Joseph de Maistre en bleef tot diep in de negentiende eeuw de toon zetten van het antimaçonnieke discours. In Nederland en België verwezen negentiende-eeuwse auteurs zoals S.H. ten Cate en J. de Bosch Kemper naar Barruels theorieën in hun eigen kritiek op de vrijmetselarij. Zijn opvattingen vormden de basis voor latere mythen over een wereldwijd maçonniek of "judeo-maçonniek" complot.[4]

Bibliografie

Zie ook

Zie de categorie Augustin Barruel van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.