Atoommodel van Thomson

Het atoommodel van Thomson, ook gekend als het plumpuddingmodel of krentenbolmodel is de bijdrage van Joseph John Thomson aan de ontwikkeling van het atoommodel, waarin hij zijn ontdekking van de elektronen in 1897 verwerkte.
In 1902 beschreef Thomson het atoom als een positief geladen bol waarin negatief geladen deeltjes (de elektronen) vrijelijk kunnen bewegen.[1]
Thomson zelf heeft nooit de vergelijking gemaakt met een plumpudding, een Engelse pudding met pruimen of rozijnen en overgoten met rum. Maar in 1906 werden de elektronen in het model van Thomson vergeleken met "minute specks swimming about [...] like raisins in a parsimonious plum-pudding".[2] Het model van Thomson is daarom gekend geworden als het plumpuddingmodel. In Nederlandse chemiehandboeken wordt een een gelijkaardig beeld van een krentenbol gecreëerd en spreekt men van het krentenbolmodel.
Thomson was met zijn model de eerste die een interne structuur toekent aan een atoom. Sinds de atoomtheorie van Dalton uit 1803 is dit een significante stap in de richting het huidige atoommodel. Aan de hand van de experimenten van Geiger en Marsden stelde Rutherford in 1911 dat het atoom een zeer kleine, positief geladen kern bevat en dat de elektronen zich daarrond bevinden. Dit betekende het einde voor het model van Thomson.
.jpg)
- ↑ Thomson 1907, p. 103 "In default of exact knowledge of the nature of the way in which positive electricity occurs in the atom, we shall consider a case in which the positive electricity is distributed in the way most amenable to mathematical calculation, i.e., when it occurs as a sphere of uniform density, throughout which the corpuscles are distributed."
- ↑ (25 August 1906). What is Matter?. The Chemist and Druggist 69 (8): 329–330.