Ambassade van De Marees en Schouten naar Siam

De ambassade van De Marees en Schouten naar het hof van Siam vond plaats van augustus 1628 tot januari 1629. De twee kooplieden van de VOC overhandigden een brief en geschenken van de stadhouder Frederik Hendrik aan koning Songtham van Siam aan zijn hof in Ayutthaya in het kader van de diplomatieke relatie tussen Siam en de Republiek der Verenigde Nederlanden.
Diplomatie
De ambassade stond in eerste instantie onder leiding van de opperkoopman Willem Cunningham, die in het verleden in Siam werkzaam geweest was als onderkoopman. Cunningham verliet Batavia op 26 juli 1628 met de schepen Mauritius[1] en Zuid-Holland.[2] Het was de bedoeling om in Siam ook rijst te kopen voor Batavia. Vanwege de oorlog met Mataram kon er geen rijst meer gekocht worden in Oost-Java. Cunningham stierf echter op 14 augustus, vlak voor de aankomst van de schepen bij de monding van de Chao Phraya rivier. In overleg met de phraklang[3] werd de missie overgenomen door het opperhoofd van de VOC-handelspost in Ayutthaya Adriaen de Marees[4] en de onderkoopman Joost Schouten.
Koning Songtham had eind 1621 brieven en geschenken voor de stadhouder Maurits meegegeven aan de naar Batavia vertrekkende Cornelis van Nijenrode.[5] Hij had daarin gevraagd om militaire steun voor een aanval op de tegen hem rebellerende vazalstaat Cambodja.[6] Na ruim zeven jaar was Maurits' antwoord voor het Siamese hof een grote gebeurtenis, des te meer omdat de Nederlanders inmiddels de voornaamste Europese handelsmogendheid in Azië waren geworden. Maurits was echter intussen overleden en opgevolgd door zijn broer Frederik Hendrik. Het waren zijn brief en geschenken die Jan Pieterszoon Coen naar Batavia meenam toen hij daar in 1627 terugkeerde voor een tweede termijn als gouverneur-generaal. Volgens Joost Schouten was de koning van Siam een van de machtigste vorsten in Azië. Zijn macht berustte vooral op het recht alle mannen in zijn rijk op te roepen als soldaat en op de beheersing van de binnen- en buitenlandse handel. Hij stuurde regelmatig handelsexpedities uit naar China en Japan, Manilla, de Indonesische archipel, India en zelfs naar Perzië. Veel vorsten in de regio brachten hem tribuut.[7]
De botenparade

De brief werd met vier Nederlandse sloepen van de schepen naar de kust gebracht en overgedragen aan een koninklijke prauw. De brief werd in een rond, rood huisje met zijden gordijnen op het middenstuk van het vaartuig geplaatst. In het stadje Bangkok werd de brief onder begeleiding van muziek door trommels en fluitinstrumenten overgenomen door een andere koninklijke prauw met 50 roeiers. Met nog 15 andere koninklijke prauwen en rond de 400 voorname personen uit Bangkok voer de botenparade in grote statie via de Chao Phraya rivier stroomopwaarts naar Ayutthaya.
Op 15 september vlak bij de hoofdstad aangekomen kwam een koninklijke prauw met 80 roeiers hen tegemoet en nam de brief over. Hij werd in een gouden schaal in een verguld huisje naar het hof gevaren. De Marees en Schouten werd gevraagd de brief officieel te overhandigen op een grote bijeenkomst op 25 september in het koninklijk paleis, ten overstaan van Siamese hoogwaardigheidsbekleders en ambassadeurs uit landen in de regio. De ambassade werd gebruikt om de status van Siam als regionale supermacht te benadrukken.[8]
De audiëntie

De gezanten arriveerden per boot in het paleiscomplex. Via diverse poorten kwamen ze uit op het binnenste plein, waar duizenden soldaten in de houding stonden. Op weg naar de audiëntiehal voerden ze diverse malen de verplichte ceremoniële begroeting uit: zittend op de knieën drie keer buigen met gestrekte armen en gevouwen handen, met het gezicht op de grond. Zo hielden ze zich aan alle diplomatieke gebruiken die golden aan het Siamese hof. De enige dissonant was dat de brief van Frederik Hendrik slechts op papier was geschreven in plaats van gegraveerd in goud. Dat was eigenlijk een belediging. De faux-pas werd echter met de mantel der liefde bedekt, en de gezanten werd op het hart gedrukt de volgende keer een gouden brief te brengen.[9] De audiëntiehal was een groot gebouw met een schuin dak, van binnen ondersteund door vier rijen van ieder 50 houten pilaren. Tussen de muren en de buitenste rij zaten musici en bedienden. Daarvoor zaten hovelingen van lage rang, en in het midden die van de hoogste rang, in totaal tussen de 400 en 500 mensen.[8]
_Balon_des_Konings_met_120_Roeyers_(titel_op_object)%252C_RP-P-1896-A-19368-658.jpg)
De koning zat op een verhoogde gouden troon met een piramidevormig voetstuk, omringd door parasols en geflankeerd door twee rijk versierde olifanten en plat op hun buik liggende hovelingen. De gezanten keken toe hoe de gouden schotel met de brief van Frederik Hendrik door een twintigtal hoogwaardigheidsbekleders aan de koning werd aangeboden. Songtham droeg een wit gewaad en een wit hoofddeksel, volgens Schouten gelijkend op de pauselijke tiara. De in het Siamees vertaalde brief werd de koning voorgelezen door zijn secretaris. De brief bevatte veel lof voor Siam en sprak de hoop uit op een langdurige voorspoedige relatie tussen beide landen. Frederik Hendrik, in Siam bekend als de ‘koning van Holland’, hield zich wijselijk op de vlakte wat betreft de aanval op Cambodja. Hij beriep zich op het gebrek aan actuele informatie over de situatie ter plekke en hoopte dat het geschil inmiddels was opgelost overeenkomstig de reputatie van de koning. Zijn geschenken bestonden uit een met goud versierd harnas, een hellebaard, een schild, twee pistolen, een groot met goud bestikt stuk laken en een grote zilveren spiegel.
Na een uitbundige en muzikaal begeleide maaltijd met alle aanwezigen vroeg de koning de gezanten naar de gezondheid van Frederik Hendrik. De conversatie verliep van de koning naar de phraklang, naar de sjahbandar, naar de tolk, naar de gezanten en weer terug. Ze konden melden dat het met Frederik Hendriks gezondheid goed gesteld was toen hij zijn brief verstuurde en dat hij druk bezig was de Spanjaarden te bestrijden. Gevraagd naar de wensen van de gouverneur-generaal in Batavia was het antwoord dat die in Siam rijst wilde kopen. Handelszaken dienden echter elders te worden behandeld dus werd dit antwoord niet overgebracht aan de koning. Schouten was daarover teleurgesteld en vermoedde dat de phraklang voor eigen gewin met de VOC wilde handelen. Voor ze het wisten was het onderhoud voorbij. Ondanks het abrupte einde waren de gezanten erg tevreden over hun bezoek. Schouten schreef in zijn verslag dat de ambassade was ontvangen met veel grotere eer dan gebruikelijk was voor ambassadeurs.[10]
Afscheid
_met_boten_Gezicht_van_Siam_(titel_op_object)%252C_RP-P-1896-A-19368-656.jpg)
Op 12 december overleed koning Songtham. De Marees en Schouten namen hun afscheid op 4 januari van zijn oudste zoon en opvolger, de 16-jarige Chetthathirat.[11] Ze kregen een brief en geschenken voor Frederik Hendrik mee. De Marees kreeg een zilveren beteldoos, en werd daarmee in de adelstand verheven in de rang van okphra. Schouten kreeg een sabel in een gouden schede en werd daarmee okluang of okkhun. De brief van de koning werd op 21 januari met veel ceremonie in een grote prauw met 70 roeiers naar de monding van de Chao Phraya gebracht. In alle dorpen langs de rivier moest de brief geëerd worden alsof het de koning zelf betrof. In de brief schreef Chetthathirat dat hij de vriendschap met de Nederlanders van zijn vader geërfd had en zou voortzetten. Hij benadrukte dat de Siamezen enkele jaren terug een door de Spanjaarden op de Chao Phraya gekaapt VOC-jacht met lading hadden geretourneerd aan de gezant Jan van Hasel, en dat Siam daarom rekende op steun vanuit Batavia bij een eventuele toekomstige aanval op het opstandige Cambodja.[10]
%252C_RP-P-1896-A-19368-1136.jpg)
In Ayutthaya gaf de phraklang nog een brief voor Jan Pieterszoon Coen mee aan de gezanten, die op 23 januari de hoofdstad verlieten. In zijn brief verzocht de phraklang de VOC om vooral handel met Siam te blijven drijven. Coen had echter al besloten de factorij weer te sluiten. De kosten en de omslachtige bureaucratie aan het Siamese hof wogen niet op tegen de opbrengsten. Vooral omdat de Siamese herten- en roggenvellen vanwege een handelsconflict met Japan daar niet meer verkocht konden worden. Coen wilde slechts een assistent[12] en een adjunct in Ayutthaya achterhouden, met geld voor eigen onderhoud voor een jaar.[13] De Siamese rijst zou één keer per jaar met schepen kunnen worden opgehaald.[14] Coen had Schouten voor die rol aanbevolen, maar die koos ervoor mee terug te gaan naar Batavia. Op 1 februari schreef hij een verslag van de ambassade aan boord van de Mauritius, liggend voor de kust, met zijn belevenissen nog vers in zijn geheugen: Uytloopich Verhael, in hoedaeniger wijse de missive ende geschencken van den doorluchtichsten Prince van Orangien aen den Coninck van Chiam in den jare 1628 behandicht, ende overgelevert zijn.[15] Het verslag geldt als de eerste uitgebreide beschrijving van het diplomatieke protocol aan het hof van Siam door een Europeaan.[8]
Nasleep

De brief en geschenken voor Frederik Hendrik werden door De Marees in december 1629 meegenomen naar de Republiek. Hij bevond zich op het schip Dordrecht,[16] dat deel uitmaakte van de retourvloot van Pieter van den Broecke. Dat schip verging echter in april 1630 ter hoogte van Sierra Leone. Aan boord was brand uitgebroken toen de botteliersjongen een kaars tussen de flessen brandewijn liet vallen. Het schip ging in vlammen op. De bemanning kon gered worden maar de lading ging verloren.[17] Of de geschenken het er heelhuids vanaf brachten is onduidelijk.
Coen had aangedrongen op een spoedig antwoord van de stadhouder omdat een te trage respons ten koste van de relatie met Siam zou gaan. Het antwoord kwam in 1633 met de gezant Jan Joosten de Roij, enkele maanden nadat in mei de factorij in Ayutthaya opnieuw geopend was vanwege de hervatte handel met Japan. De brief en de geschenken werden aan de nieuwe koning Prasatthong overhandigd door De Roij en Schouten, die nu opperhoofd van de factorij was.
In Nederland werd naar aanleiding van het verslag van Schouten een kaart vervaardigd waarop verschillende fases van het bezoek van de ambassade zijn afgebeeld. De kaart is vermoedelijk in de jaren 1640 gemaakt in het atelier van Johannes Vingboons. Kort daarna werd de kaart door Artus Gijsels aangeschaft voor zijn privé verzameling. Hij bevindt zich tegenwoordig in de Badische Landesbibliothek van Karlsruhe.[18]
- ↑ Gegevens VOC-schip Mauritius 1612. De VOCsite (0225). Geraadpleegd op 21 mei 2025.
- ↑ Gegevens VOC-schip Zuid-Holland 1619. De VOCsite (2025). Geraadpleegd op 5 december 2025.
- ↑ De phraklang was een van de belangrijkste ministers van het Siamese rijk. Hij was de koninklijke schatmeester, rustte koninklijke handelsvaartuigen uit en beheerde de koninklijke pakhuizen. Buitenlandse kooplieden en ambassadeurs moesten met hem contact opnemen als ze iets wilden ondernemen in Siam. Hij is daarom ook wel vergeleken met een minister van buitenlandse zaken.
- ↑ Over Adriaen de Marees is weinig bekend. Hij ging in 1620 als onderkoopman naar Indië en werd in maart 1627 opperhoofd in Siam. De factorij was in de periode 1622-1632 slechts met tussenpozen in bedrijf. De Marees kreeg via het gezantschap van Cunningham van Jan Pieterszoon Coen de opdracht om 'met al sijn geselschap' weer terug naar Batavia te komen. In juni 1629 ging hij met de fluit Edam naar Sumatra's westkust om peper in te kopen, en in december keerde hij met de retourvloot terug naar de Republiek. Wellicht was hij een zoon van Pieter de Marees.
- ↑ Terpstra, H. (1938). De Factorij der Oostindische Compagnie te Patani. Martinus Nijhoff, p. 230.
- ↑ Dit was niet het eerste contact. Al in 1607 had Songthams vader Ekathotsarot ambassadeurs meegestuurd met de naar de Republiek terugkerende koopman Cornelis Specx. Na een bezoek aan de stadhouder Maurits in Den Haag in september 1608 kwamen de ambassadeurs in 1611 weer terug in Siam.
- ↑ Van Goor, J. (2009). Indische Avonturen. Opmerkelijke ontmoetingen met een andere wereld. Sdu Uitgevers, 40, 41. ISBN 9012088542.
- 1 2 3 (en) Ruangsilp, Bhawan (2007). Dutch East India Company Merchants at the Court of Ayutthaya. Dutch Perceptions of the Thai Kingdom, c.1604-1765. Brill, p. 57-62. ISBN 9789047419860.
- ↑ Alleen bij de ambassade van Schouten aan koning Prasatthong in 1636 zou de brief van Frederik Hendrik op goudblad geschreven zijn. Bij de andere ambassades hield men zich er niet aan.
- 1 2 (en) Terwiel, Barend Jan (2019). De Marees and Schouten Visit the Court of King Songtham, 1628. Journal of the Siam Society 107: 25–48
- ↑ Chetthathirat werd een jaar later in opdracht van de machtige minister Siworawong ter dood gebracht en vervangen door zijn 10 jarige broer Athittayawong. Die werd een maand later ook afgezet en gedood. Siworawong besteeg toen zelf de troon onder de naam Prasatthong, en startte daarmee een nieuwe dynastie.
- ↑ De rangen van de kooplieden van de VOC waren: assistent, onderkoopman, koopman en opperkoopman.
- ↑ Colenbrander, H.T. (1923). Jan Pietersz. Coen. Bescheiden rond zijn bedrijf in Indië, Deel 5. Martinus Nijhoff, 375, 376.
- ↑ Dagh-register gehouden in't Casteel Batavia, Martinus Nijhoff, 1624-1634. Martinus Nijhoff (1907), p. 340.
- ↑ Schouten, Joost, Wijtloopich verhael in hoedaeniger wijse de missive en de geschencken van de doorluchtichsten prince van Orangien aen den coninck van Chiam in den jare 1628 behandicht ende overgelevert zijn. 1.04.02, Inventaris van het archief van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), 1602-1795, 1098 1630 QQ. Tweede boek 1630. Nationaal Archief (1629). Geraadpleegd op 7 december 2025.
- ↑ Coolhaas, W.Ph., J. van Goor, J.E. Schooneveld-Oosterling en H.K. s’ Jacob (1960-2007). Generale Missiven van Gouverneurs-Generaal en Raden aan Heren XVII der Verenigde Oostindische Compagnie, Deel 1, 1610-1638, GS 104. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, p. 251.
- ↑ Dordrecht 1630. Stapstenen van maritieme geschiedenis. Maritime Stepping Stones (2025). Geraadpleegd op 8 december 2025.
- ↑ (en) Terwiel, Barend Jan (2018). An Early Dutch Map Depicting the Arrival of a Diplomatic Mission in Siam. Journal of the Siam Society 106: 129-142