Ali Pasja (Albanees militair)

Ali Pasja
Ali Pasja
Gouverneur van het Pasjalik Ioannina
Periode 1788–1822
Familie
Geboren Tepelenë, Ottomaanse Rijk, (nu Vlag van Albanië Albanië)
Partner Emine

Ali Pasja, bijgenaamd de Leeuw van Ioannina (nabij Tepelenë, 1740 - bij Ioannina, 5 februari 1822) was een Albanese pasja binnen het Ottomaanse Rijk, gouverneur van Albanië en Epirus, regerend vanuit Ioannina vanaf 1788.

Biografie

Ali Pasja werd geboren in 1740 in een dorp bij Tepelenë in het Osmaanse Rijk, in het huidige Albanië. Hij klom in de loop van zijn leven op binnen de politieke en militaire structuren van het rijk en verwierf uiteindelijk de macht over een grotendeels autonoom gebied dat Albanië en een groot deel van Noordwest- en Centraal-Griekenland omvatte, met Ioannina als bestuurlijk centrum.

Volgens tijdgenoten was Ali Pasja een man van forse gestalte, met blauwe ogen en een lange baard. Bronnen uit die periode vermelden dat hij een omvangrijke harem onderhield, bestaande uit vrouwen en jongens uit de regio.

Verslagen uit zijn tijd beschrijven hem als hardvochtig tegenover tegenstanders en opstandelingen. Zo wordt melding gemaakt van executies van vrouwen uit zijn harem die van overspel werden beschuldigd. Een bekend voorbeeld is het verhaal van Frossíni, een Griekse vrouw die volgens overlevering werd terechtgesteld samen met zestien andere jonge vrouwen. Deze gebeurtenis leeft voort in Griekse volksliederen en legendes.

Ondanks zijn reputatie van wreedheid werd Ali Pasja ook beschreven als intelligent en charismatisch. De Britse dichter Lord Byron, die hem in 1807 ontmoette, karakteriseerde hem als een opmerkelijke persoonlijkheid. Onder zijn bestuur kende Ioannina een periode van economische bloei en culturele ontwikkeling, waardoor de stad tot de welvarendste van de Balkan behoorde.

Vanaf ongeveer 1810 voerde Ali Pasja een steeds onafhankelijker beleid ten opzichte van de Ottomaanse centrale overheid in Constantinopel. Hij onderhield diplomatieke contacten met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk en had relaties met Griekse verzetsgroepen, de zogenaamde kleften. Zijn groeiende autonomie leidde tot een conflict met Sultan Mahmud II, die hem in 1820 beschuldigde van hoogverraad. Een Ottomaans leger belegerde Ioannina gedurende twee jaar.

In 1822, op 81-jarige leeftijd, werd Ali Pasja gedood door Ottomaanse troepen nadat hij zich had teruggetrokken in het klooster van de Heilige Panteleimon op een eiland in het meer van Ioannina. Zijn hoofd werd naar Constantinopel gestuurd als bewijs van zijn dood. Zijn graf bevindt zich bij de Fetyemoskee in Ioannina. Zijn metgezellin Vassilikí overleefde de gebeurtenissen en bleef volgens sommige bronnen bekend als een vrouw van aanzien en religieuze toewijding.

Trivia

  • In De graaf van Monte-Cristo van Alexandre Dumas wordt de moord op Ali Pasja beschreven als een schandelijke daad door een van de hoofdrolspelers.
Zie de categorie Ali Pasha van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.