Adolf Carel Nunnink

Adolf Carel Nunnink (Amsterdam,1813Den Haag, 1894) was een Nederlandse tekenaar en lithograaf die midden 19e eeuw werkzaam was in Dordrecht, Rotterdam en Den Haag.[1]

Opleiding

Hij kreeg samen met zijn jongere broer Albertus Anthonius Nunnink op jonge leeftijd een kunstopleiding aan de Haagsche Teeken-academie, nu de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Hij was een leerling van Bartholomeus Johannes van Hove. Aan de Teeken-academie heeft Nunnink kennis kunnen maken met de toen nieuwe druktechniek lithografie of steendruk Nederlands Steendrukmuseum.

Mogelijk kwam hij via Van Hove in contact met de Nederlandse pionier in de lithografie Jan Dam Steuerwald. Hij kreeg in 1835 een aanstelling als tekenaar en lithograaf in de drukkerij van Steuerwald in Dordrecht. Hij heeft zich daar als lithograaf verder ontplooid.

Rond 1840 was hij, wonend in Dordrecht, vrij gevestigd.

Lidmaatschap Pictura

In Dordrecht werd Nunnink lid van de kunstenaarsvereniging Teekengenootschap Pictura. Pictura organiseerde ook tentoonstellingen van werk van de leden en tekenwedstrijden, waaraan beide broers Nunnink deelnamen.

Cartografische projecten

In 1846 verscheen na een langdurig ontwerptraject de Provinciale Kaart van Zuid-Holland[2]. De kaart was bedoeld voor gebruik door alle overheidsdiensten. Nunnink is dan in dienst van het Kadaster en (mede)tekenaar en samensteller van deze grootschalige kaart, maar hij is niet de lithograaf.

Spoorwegkaarten

Rond 1870 werkte Nunnink opnieuw -nu wel als lithograaf- samen met zijn broer aan een groot project van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, de ‘Spoorwegkaart van de Nederlanden, België, Luxemburg, Noordelijk Frankrijk en Westelijk Duitschland’. Deze kwam in 1872 gereed. In 1880 maakte hij ook weer samen met zijn broer de ‘Kaart van de Spoorwegen en Spoorwegmaatschappijen in Nederland’.

Stadsgezichten

Nunnink heeft in 1854 gelijk met zijn broer en andere lithografen voor een speciale uitgave van het tijdschrift Kunstkronijk enkele litho’s van stadsgezichten van Rotterdam gemaakt[3]. De uitgave was geheel gewijd aan het groots opgezette meerdaagse muziekfestival dat de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst bij haar 25-jarig jubileum in Rotterdam hield.

Fotograaf (Daguerrotypist)

Op twee van diens litho’s van Rotterdam vermeldt zijn broer dat die gemaakt zijn ‘naar eene Daguerrotype van den heer A. C. Nunnink’. Adolf Carel was dus in die periode ook actief als fotograaf. Van zijn daguerrotypes zijn helaas geen bestaande exemplaren bekend.

Kunstkronijk

Vanaf 1841 werd het tijdschrift ‘Kunstkronijk’ uitgegeven. Daarmee werd voor het publiek Nederlandse kunst op bredere schaal toegankelijk gemaakt. Nieuw voor die tijd was dit een geïllustreerd tijdschrift. Daarvoor werden paginagrote litho’s gebruikt. Voor de ‘Kunstkronijk’ heeft Nunnink veel reproducties verzorgd van kunstwerken aanwezig in Nederlandse museum- en verzamelaarscollecties.

De Staalmeesters

De Staalmeesters

Zijn bekendste en meest verspreide werk is de litho ‘De Staalmeesters’ naar het schilderij van Rembrandt.

Deelname aan tentoonstellingen

Vanaf 1849 was hij met zijn reproducties van schilderijen herhaaldelijk deelnemer aan de reeks tentoonstellingen van levende meesters. Hij heeft eveneens geëxposeerd op de Parijse Wereldtentoonstelling van 1855 Exposition universelle de 1855.

Verdere bijzonderheden

Naast zijn activiteiten als tekenaar en lithograaf werd Nunnink in de jaren 1860 opzichter bij het Mauritshuis. Dat bleef hij tot op zeer hoge leeftijd. In de museumcollectie is een tekening van zijn hand opgenomen met het interieur van het Mauritshuis.

Bezoekers in de Trapzaal in het Mauritshuis

Collecties van zijn werk zijn onder meer te vinden in de beeldbanken van het Rijksmuseum, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), de Universiteitsbibliotheek van Leiden en het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD)

Bronnen, noten en/of referenties

  • Theo Wajer en Boudewijn Huenges Wajer - De gebroeders Nunnink van tekenaar tot lithograaf. In: Tijdschrift van de Historische Vereniging Oud-Dordrecht, 41ste jaargang – 2023 nr. 2.

Verdere literatuur